Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200504829/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Texel (hierna: het college) geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen van een bedrijvencomplex met drie dienstwoningen tot bedrijvencomplex met vier dienstwoningen aan het [locaties] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Texel, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504829/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend en gevestigd te [plaatsen],

tegen de uitspraak in zaak no. WRO 04/1409 van de rechtbank Alkmaar van 20 april 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Texel (hierna: het college) geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen van een bedrijvencomplex met drie dienstwoningen tot bedrijvencomplex met vier dienstwoningen aan het [locaties] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Texel, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 mei 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 april 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brieven van 10 en 13 januari 2006 hebben appellanten nadere stukken ingediend. Deze zijn aan het college toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2006, waar appellanten, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. X. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Den Burg-Zuid" rust op het perceel de bestemming "Industriële en ambachtelijke bedrijven".

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften, voorzover thans van belang, zijn de op de kaart voor industriële en ambachtelijke bedrijven aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsdoeleinden in de vorm van industriële en ambachtelijke bedrijven.

    Ingevolge artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder c, voorzover thans van belang, geldt ten aanzien van de bebouwing dat per bedrijf niet meer dan één dienstwoning mag worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, wordt onder dienst- of bedrijfswoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein kennelijk slechts bestemd voor (het gezin van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder ah, wordt onder ambachtelijk bedrijf verstaan een inrichting ten behoeve van het beroepsmatig vervaardigen, herstellen of bewerken van producten, stoffen, of goederen door middel van of overwegend door handwerk, alsook - in verband hiermee en als nevenactiviteit van ondergeschikt belang - het verkopen en/of afleveren van goederen.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan van appellanten in strijd is met het geldende bestemmingsplan omdat de activiteiten van appellanten niet zouden vallen binnen het kader van industriële en ambachtelijke bedrijven als bedoeld in artikel 5 van de planvoorschriften.

2.2.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten aanzien van de activiteiten van appellanten, namelijk het exploiteren van een strandpaviljoen, een zeilschool en de verhuur van strandhuisjes, niet kan worden gesproken van een industrieel of ambachtelijk bedrijf als bedoeld in de planvoorschriften. Appellanten hebben aangevoerd dat de door hen gepleegde onderhoudswerkzaamheden aan het strandmateriaal en het vervaardigen en handelen in strandhuisjes, terrasschotten, terrasvlonders en strandmeubilair wel moeten worden aangemerkt als activiteiten die vallen onder de aanduiding ambachtelijk bedrijf. Voorzover deze activiteiten als ambachtelijk zijn aan te merken heeft de rechtbank echter terecht overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze activiteiten een zodanige omvang hebben dat kan worden gesproken van een ambachtelijk bedrijf in de zin van de planvoorschriften. Anders dan appellanten aanvoeren is er geen plaats voor het oordeel dat aansluiting gezocht had moeten worden bij de definitie van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer, nu het hier een beoordeling van de voorschriften van het bestemmingsplan betreft.

    Dat het college voorafgaand aan het voornemen om medewerking te verlenen aan het bouwplan bekend was met de situatie ter plaatse betekent niet dat de aanvraag niet alsnog op de daartoe gehanteerde gronden kon worden afgewezen. De zienswijzenprocedure biedt de mogelijkheid de juistheid van het voorgenomen besluit te toetsen naar aanleiding van de daartegen ingebrachte zienswijzen. Het college kan niet worden verweten op grond van de ingebrachte zienswijzen een van het voornemen afwijkend besluit te hebben genomen.

   Nu gelet op het vorenstaande geen sprake is van een ambachtelijk bedrijf in de zin van artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, heeft het college reeds om die reden terecht aangenomen dat sprake is van strijdigheid van het bouwplan met artikel 5, vijfde lid, onder c, van de planvoorschriften.

2.2.2.    Voorts heeft de rechtbank met recht geoordeeld dat het college gelet op voormelde activiteiten terecht heeft aangenomen dat een dienstwoning ter plaatse niet noodzakelijk is, zoals vereist in artikel 1, aanhef en onder s, van de planvoorschriften. De vraag of sprake is van meer dan één hoofdgebouw in de zin van het ontwerp-bestemmingsplan "Den Burg" is dan ook in deze procedure niet van belang, reeds omdat geen sprake is van een bouwplan voor een dienstwoning die ter plaatse noodzakelijk is.

    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om vrijstelling te verlenen voor het bouwplan.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

218-444.