Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200504653/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord (hierna: het dagelijks bestuur) vrijstelling op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning met een instandhoudingstermijn van vijf jaar aan appellant verleend voor het oprichten van een gebouw op het Buikslotermeerplein tegenover 219 (hierna: het gebouw) met bestemming van het gebouw tot cadeauwinkel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504653/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/1077 van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2005 in het geding tussen:

appellant

en

dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord (hierna: het dagelijks bestuur) vrijstelling op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning met een instandhoudingstermijn van vijf jaar aan appellant verleend voor het oprichten van een gebouw op het Buikslotermeerplein tegenover 219 (hierna: het gebouw) met bestemming van het gebouw tot cadeauwinkel.

Bij besluit van 24 januari 2003 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door [partij] namens de Coöperatieve Vereniging Winkelcentrum Amsterdam Noord (hierna: de Vereniging) gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 7 juni 2002 ingetrokken.

Bij uitspraak van 12 april 2005, verzonden op 14 april 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.    

Na afloop van het vooronderzoek zijn van het dagelijks bestuur en appellant nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.A.M. Voeten, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. Y.A. van Baak, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Vereniging rechtstreeks in haar statutaire doelstelling is getroffen in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat zij in het onderhavige geding als belanghebbende kan worden aangemerkt.

2.2.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat [partij] niet bevoegd was namens de Vereniging bezwaar te maken faalt. Het dagelijks bestuur heeft in de bezwaarfase geen machtiging opgevraagd om daarmee te doen aantonen dat [partij] bevoegd was om de vereniging in rechte te vertegenwoordigen, nu bij het dagelijks bestuur geen aanleiding bestond om te twijfelen aan de bevoegdheid van [partij] om de Vereniging in rechte te vertegenwoordigen. Appellant heeft in bezwaar niet naar voren gebracht dat er namens hem twijfel bestond over deze bevoegdheid van [partij]. Indien hij dit wel had gedaan had dit het dagelijks bestuur aanleiding kunnen geven de Vereniging te vragen om aan te tonen dat zij bevoegdelijk door [partij] werd vertegenwoordigd.

    In beroep heeft de Vereniging een machtiging gedateerd juli 2004 overgelegd, waarin [partij] wordt gemachtigd, voorzover hier van belang, tot het vertegenwoordigen van de Vereniging in bezwaar- en beroepsprocedures zowel in als buiten rechte. Het betoog van appellant dat hieruit niet kan worden afgeleid dat [partij] reeds ten tijde van de bezwaarfase bevoegd was de Vereniging in rechte te vertegenwoordigen kan reeds gelet op het vorenstaande geen doel treffen.

2.3.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dat artikel ten tijde van de aanvraag luidde, mag de bouwvergunning alleen en moet deze worden geweigerd, indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.    

   Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, voorzover hier van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in artikel 15, 17 of 19 van de WRO, geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.      

   Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen. Het derde lid van artikel 15 is van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro) wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

2.4.    Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buikslotermeer" op de gronden waarop het bouwplan is voorzien rustende bestemming "openbare ruimte". De aanvraag van appellant om tijdelijke bouwvergunning is door het dagelijks bestuur mede aangemerkt als een verzoek om vrijstelling in de zin van artikel 17, eerste lid, van de WRO.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er onvoldoende objectieve aanknopingspunten waren op grond waarvan de tijdelijkheid van het bouwplan kon worden aangenomen en dat het dagelijks bestuur terecht tot de conclusie is gekomen dat geen vrijstelling op grond van artikel 17 van de WRO kon worden verleend.

2.5.1.    Dit betoog faalt. Een tijdelijke vrijstelling in de zin van artikel 17, eerste lid, van de WRO in samenhang met artikel 19, eerste lid, van het Bro voor het bouwplan, kan slechts worden verleend, indien aannemelijk is dat het gebouw niet langer dan vijf jaar in stand zal blijven. Het feit dat voor het gebouw een tijdelijke bouwvergunning is aangevraagd voor vijf jaar, is voor het aannemen van tijdelijkheid niet voldoende. Gelet op de jurisprudentie - zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 1995, nos. H01.95.0029 en H01.95.0034 (Gst 1996, 7036, 6), 16 juli 2003, no. 200202902/1 (JB 2003/238) en 21 januari 2004, no. 200301555/1 - moeten er concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn die voor de tijdelijkheid aanknopingspunten bieden.

    De rechtbank heeft terecht met het dagelijks bestuur de plannen voor de toekomstige ontwikkeling van het gebied onvoldoende concreet geacht om aan te nemen dat het gebouw daadwerkelijk tijdelijk in stand zal blijven. Evenmin toereikend om de tijdelijkheid van het bouwplan aan te nemen is het betoog van appellant dat het gebouw zal bestaan uit staal en glas, en gemakkelijk op te richten en af te breken zal zijn. Appellant heeft overigens geen gegevens naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een tijdelijke afwijking.        

    Nu er ten aanzien van het gebouw onvoldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden waren om aan te nemen dat dit gebouw niet langer dan vijf jaar ter plaatse in stand zal blijven, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur terecht heeft geconcludeerd dat geen vrijstelling in de zin van artikel 17, eerste lid, van de WRO, voor het bouwplan kon worden verleend.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

218-444.