Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200504751/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een varkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 april 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/2783
JOM 2007/440
OGR-Updates.nl 1001138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504751/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", gevestigd te Deurne, en de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie", gevestigd te Tilburg,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Asten,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een varkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 april 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 31 mei 2005, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door W.M.M. van Opbergen, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. R.L.P. Verheijen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

   Op 1 februari 2006 is de Interimwet stad-en-milieubenadering van 19 januari 2006 (Stb. 2006, 37) in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 februari 2006 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet.

2.2.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een varkenshouderij voor het houden van 818 guste en dragende zeugen, 232 kraamzeugen. 3.955 biggen, 2 beren en 235 vleesvarkens. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 29 november 2002 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 787 guste en dragende zeugen, 230 kraamzeugen, 3.346 biggen, 4 beren en 143 vleesvarkens.

2.3.    Appellanten voeren onder meer aan dat door de toename van de ammoniakemissie vanwege de inrichting van 3.136,6 kilogram per jaar tot 4.022,1 kilogram per jaar sprake is van een belangrijke verontreiniging als bedoeld in de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (Pb. 1996, L257/26; hierna: de Richtlijn). Verder is volgens appellanten sprake van een belangrijke toename van de verontreiniging als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav). Appellanten voeren hiertoe aan dat de emissie van de inrichting een bijdrage zal leveren aan de reeds veel te hoge achtergronddepositie van 2.000 tot ruim 3.000 mol potentieel zuur per hectare per jaar in de Peelregio, waaronder begrepen het op 530 meter van de inrichting gelegen kwetsbare bosgebied aan de Heesakkerweg. Nu de kritische depositiewaarden voor de Peelregio naar de mening van appellanten in de nabije toekomst niet kunnen worden gehaald, dient elke toename van de emissie te worden beschouwd als een belangrijke (toename van de) verontreiniging. Appellanten achten een toename van 15 mol potentieel zuur per hectare per jaar nog acceptabel, doch deze hoeveelheid wordt door de aangevraagde en bij het bestreden besluit vergunde uitbreiding van de inrichting overschreden. Volgens appellanten miskent verweerder dat naast de toepassing van de beste beschikbare technieken ook de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden van belang zijn bij de vraag of sprake is van een belangrijke (toename van de) verontreiniging.

2.3.1.    Verweerder ziet in de toename van de depositie vanwege de vergunde uitbreiding van de inrichting op het op 530 meter gelegen bosgebied aan de Heesakkerweg alsmede op het op meer dan drie kilometer gelegen natuurgebied "De Groote Peel" geen aanleiding de gevraagde vergunning te weigeren. Hij voert hiertoe aan dat het nabijgelegen bosgebied weliswaar als kwetsbaar gebied is aangewezen, doch dat dit natuurwetenschappelijk niet als een bijzonder gebied kan worden beschouwd. Bovendien geldt voor dit gebied geen kritische depositiewaarde, aldus verweerder.

2.3.2.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wav betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel (oud) geldt het eerste lid niet voor voorschriften die worden gesteld met toepassing van de artikelen 8.11 (oud), 8.44, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer.

   Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Wav wordt, indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van de Richtlijn valt, en de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven als gevolg van de uitbreiding een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt.

2.3.3.    Vaststaat dat de inrichting gezien het aantal aangevraagde en vergunde zeugen onder de reikwijdte van de Richtlijn valt. Voorts staat vast dat de inrichting niet in een kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een dergelijk gebied is gelegen. Voor de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte ammoniakemissie vormt artikel 6, tweede lid, van de Wav derhalve het toetsingskader.

2.3.4.    Zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 1 juni 2005 in zaak no. 200408656/1, heeft overwogen bieden de bepalingen van de Wav, waaronder artikel 6, tweede lid, de ruimte om te beslissen op een aanvraag om vergunning met toepassing van die wet, waarbij geldt dat de vergunning de emissiegrenswaarden en/of gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen bevat, die zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken en waarbij de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de plaatselijke milieuomstandigheden in acht zijn genomen.

   Niet in geschil is dat in het onderhavige geval de beste beschikbare technieken zijn toegepast. Gezien het vorenstaande is voor de beoordeling of sprake is van een belangrijke toename van de verontreiniging het enkele feit dat toepassing wordt gegeven aan de beste beschikbare technieken, in tegenstelling tot hetgeen verweerder heeft betoogd, evenwel niet voldoende.

2.3.5.    Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bosgebied aan de Heesakkerweg moet worden aangemerkt als een kwetsbaar gebied als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, van de Wav. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat verweerder zich bij de beoordeling of de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven als gevolg van de uitbreiding vanwege de inrichting een belangrijke toename van de verontreiniging tot gevolg heeft, heeft beperkt tot een beoordeling van de gevolgen van de toename van ammoniakemissie voor het nabijgelegen kwetsbare bosgebied. Verweerder heeft daarbij uitsluitend gekeken naar de ammoniakdepositie die de inrichting reeds op het nabijgelegen kwetsbare gebied veroorzaakt en de toename hiervan na de vergunde uitbreiding.

   De Afdeling is evenwel van oordeel dat bij de toetsing of sprake is van een belangrijke toename van de verontreiniging niet kan worden volstaan met een berekening van de ammoniakdepositie die de inrichting veroorzaakt op het kwetsbare gebied. Er dient, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2004 in zaak no. 200304823/1 (AB 2005, 40), eveneens rekening te worden gehouden met de bestaande toestand van het milieu (de heersende depositie) alsmede met de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder onder meer geen rekening heeft gehouden met de ammoniakemissies vanwege andere veehouderijen op het nabijgelegen kwetsbare gebied. Verweerder heeft voorts ter zitting erkend dat hij niet heeft onderzocht wat de reeds aanwezige achtergronddepositie op dit kwetsbare gebied is. Daarnaast is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat zich in de Peelregio meerdere veehouderijen bevinden en dat de totale achtergronddepositie in de Peelregio door de aanwezigheid van deze veehouderijen reeds hoog is. Bovendien is gebleken dat in de nabije omgeving van de inrichting nog andere gebieden zijn gelegen, die mogelijk als kwetsbare gebieden in de zin van artikel 2, eerste en derde lid, van de Wav moeten worden aangemerkt, doch door verweerder in het onderhavige geval buiten beschouwing zijn gelaten.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende voorbereiding niet zorgvuldig en de daaraan ten grondslag liggende motivering niet toereikend moet worden geacht. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Asten van 12 april 2005;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Asten tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 37,97 (zegge: zevenendertig euro en zevenennegentig cent); het dient door de gemeente Asten aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Asten aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

159-443.