Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3886

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200502714/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2003 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hierna: de Minister) de aanvraag van appellant om een bijdrage voor de beëindiging van diens beroepsactiviteit afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502714/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. WET 04/417 van de rechtbank Alkmaar van 9 februari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2003 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hierna: de Minister) de aanvraag van appellant om een bijdrage voor de beëindiging van diens beroepsactiviteit afgewezen.

Bij besluit, verzonden op 29 januari 2004, heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2005, verzonden op 17 februari 2005, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 april 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 juni 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. N. Arkesteijn, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van de Minister. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting behandeld op 11 januari 2006, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.H. Verheul-Verkaik, ambtenaar ten departemente, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de visserij 2002 (Stcrt. 9 augustus 2002, nr. 151, hierna: de Vergoedingsregeling) kan de minister op aanvraag een eenmalige bijdrage verstrekken aan een visser voor de beëindiging van zijn beroepsactiviteit ten gevolge van zijn vervroegde uittreding uit de zeevisserij.

   Ingevolge artikel 4, aanhef en onder d, van de Vergoedingsregeling wordt een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, slechts verstrekt aan de aanvrager die zonder onderbreking ten minste 12 maanden voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend, werkzaam is geweest op een vissersvaartuig dat wordt gebruikt voor de zeevisserij.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Vergoedingsregeling verdeelt de minister de beschikbare bedragen in volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag volledig is, als datum van ontvangst geldt.

   Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vergoedingsregeling, voor zover hier van belang, dient de aanvraag tot verstrekking van een bijdrage vergezeld te gaan van bescheiden waaruit blijkt dat de aanvrager heeft voldaan aan de vereisten bedoeld in artikel 4, onderdeel d, van de Vergoedingsregeling.

2.2.    In de beslissing op bezwaar heeft de Minister aan de ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant ten grondslag gelegd dat de op 4 oktober 2002 door de Minister ontvangen aanvraag van appellant in strijd met artikel 4:2 van de Awb niet is ondertekend en dat een kopie van het monsterboekje ontbrak, dat de volledige aanvraag pas is ontvangen op 21 november 2002, nadat op 19 november 2002 het subsidieplafond was bereikt, zodat de subsidie, gelet op artikel 4:25, tweede lid, van de Awb moest worden geweigerd.

2.3.    De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 4, aanhef en onder d, van de Vergoedingsregeling. Uit de stukken kan volgens de rechtbank worden afgeleid, dat ten tijde van het indienen van de aanvraag geen sprake meer was van een arbeids- of maatschapsovereenkomst, zodat niet kan worden gezegd dat de beëindiging van de beroepsactiviteit van appellant het gevolg is van de vervroegde uittreding uit de zeevisserij en hij niet op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vergoedingsregeling in aanmerking kan worden gebracht voor een eenmalige bijdrage.

2.4.    De Afdeling constateert ambtshalve dat de aangevallen uitspraak in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, nu aan de uitspraak ten grondslag is gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarde genoemd in artikel 4, aanhef en onder d, van de Vergoedingsregeling, terwijl deze grond niet door de Minister aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd en evenmin in dit opzicht door partijen iets is aangevoerd. De rechtbank is in haar uitspraak derhalve niet uitgegaan van een juiste vaststelling van de inhoud van het bestreden besluit.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De rechtbankuitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar behandelen.

2.6.    Appellant heeft in beroep betoogd dat de aanvraag, zoals deze door de Minister op 4 oktober 2002 is ontvangen, niet onvolledig was. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat indien zijn handtekening al ontbrak op de aanvraag, dit niet betekent dat de aanvraag onvolledig was, omdat de Minister ook zonder die handtekening kon beoordelen of appellant voor de subsidie in aanmerking kwam en de aanvraag bovendien met een begeleidend en ondertekend schrijven was ingediend door de Helderse Redersvereniging. Voorts heeft appellant betoogd dat de Minister ten onrechte is afgeweken van het systeem van de Vergoedingsregeling door alle indieners van een onvolledige aanvraag tegelijk bij brief van 13 november 2002 in de gelegenheid te stellen de aanvraag aan te vullen, waardoor hij is benadeeld.

2.7.    Ingevolge artikel 4:2, eerste lid, van de Awb dient een aanvraag te zijn ondertekend.

   Uit de door de Minister op 4 oktober 2002 ontvangen aanvraag van appellant blijkt, dat deze aanvraag noch door hemzelf, noch door een gemachtigde is ondertekend. Dat de aanvraag is vergezeld van een begeleidend schrijven van de Helderse redersvereniging maakt, anders dan appellant meent, niet dat sprake is van een ondertekende aanvraag. Nu niet is voldaan aan het in artikel 4:2, eerste lid, van de Awb neergelegde wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, is appellant terecht op grond van artikel 4:5 van de Awb door de Minister in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen. Vaststaat dat de aanvraag vervolgens na ondertekening op 21 november 2002 door de Minister is ontvangen. Gelet op artikel 7, derde lid, van de Vergoedingsregeling heeft de Minister dan ook terecht 21 november 2002 aangemerkt als datum van ontvangst van de aanvraag. Omdat op 19 november 2002 het voor de Vergoedingsregeling vastgestelde subsidieplafond is bereikt, heeft de Minister de aanvraag derhalve terecht afgewezen wegens overschrijding van het subsidieplafond. Dat het agentschap Laser, dat de aanvragen voor de Minister heeft behandeld, de onvolledige aanvragen heeft verzameld en tegelijk heeft teruggestuurd leidt niet tot het oordeel dat hiermee in strijd met de Vergoedingsregeling of de Awb is gehandeld of dat de procedure anderszins onzorgvuldig is verlopen. Daarbij is van belang dat het de verantwoordelijkheid van de aanvrager is om te zorgen dat de aanvraag aan de wettelijke voorschriften voldoet en dat deze volledig is.

2.8.    Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond is.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.10.    Een redelijke uitleg van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan appellant wordt terugbetaald.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 februari 2005, WET 04/417;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

71-420.