Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3885

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200502651/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2005 met kenmerk 76328 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "NS Railinfrabeheer B.V.", thans Prorail B.V., een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een emplacement gelegen aan Stationsplein 1 te Hengelo, kadastraal bekend sectie D nummer 13.228, sectie O nummer 1.160, sectie S nummer 335. Dit besluit is op 16 februari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502651/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Prorail B.V.", gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2005 met kenmerk 76328 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "NS Railinfrabeheer B.V.", thans Prorail B.V., een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een emplacement gelegen aan Stationsplein 1 te Hengelo, kadastraal bekend sectie D nummer 13.228, sectie O nummer 1.160, sectie S nummer 335. Dit besluit is op 16 februari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 juli 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, [gemachtigden], allen werkzaam bij appellante, ir. L.J.M. Jacobs en ir. M. van der Berg, beiden ambtenaar van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. H.H. Aalderink en J.F.M. Jansink, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij verschenen het projectbureau "Hart van Zuid", vertegenwoordigd door [technisch directeur].

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellante voert aan dat verweerder in voorschrift 2.1 van de vergunning ten onrechte het aantal wagons beladen met gevaarlijke stoffen, waarmee handelingen worden verricht, heeft beperkt en de vergunning zelfs heeft geweigerd voor zover het betreft het opstellen van en rangeren met wagons beladen met toxisch gas en zeer brandbare vloeistof. Verweerder is volgens appellante daarbij ten onrechte uitgegaan van de gegevens uit het rapport "Aanvullend onderzoek en actualisering van de risico-analyse van NS-goederenemplacement Hengelo" van Ingenieurs/ adviesbureau SAVE in opdracht van de Nederlandse Spoorwegen uit maart 1994. Dit rapport bevat volgens appellante slechts een indicatie van activiteiten verricht met wagons beladen met gevaarlijke stoffen om zo de benodigde risicoruimte te kunnen bepalen. Het is volgens haar geenszins de bedoeling geweest de gegevens uit het desbetreffende rapport maatgevend te laten zijn voor de bedrijfsvoering van de inrichting. Deze aanpak van verweerder leidt ertoe dat de benodigde flexibiliteit in de bedrijfsvoering onnodig wordt ingeperkt, aldus appellante.

2.3.1.    In voorschrift 2.1 van de vergunning is, voor zover hier van belang, bepaald:

"Binnen de inrichting mogen overeenkomstig de aanvraag, jaarlijks niet meer goederenwagons geladen met gevaarlijke stoffen worden opgesteld en gerangeerd dan aangegeven in de daarin genoemde tabel.

Toelichting:

- met gevaarlijke stoffen wordt bedoeld gevaarlijke stoffen, zoals omschreven in de "Circulaire risicobenadering voor NS-Goederenemplacementen" van VROM én zoals deze zijn ingedeeld in de stofcategorieën in de in dit voorschrift genoemde tabel;

- de gevaarlijke stoffen, volgens de aanvraag gecategoriseerd als zeer toxisch gas (i.c. chloor), toxisch en brandbaar gas (i.c. ethyleenoxide), brandbaar gas (i.c. LPG) en toxische vloeistof (i.c. acrylnitril), zijn ondergebracht in de categorisering van genoemde circulaire (zes stofcategorieën). Om elke verwarring te voorkomen, vooral wat betreft de categorisering van acrylnitril, zijn aan het aantal wagons met toxische vloeistoffen en wagons met zeer toxische vloeistoffen samen een grens gesteld;

- wisseling van stoffen binnen de hierboven genoemde stofcategorieën is toegestaan, aangezien dit geen consequenties heeft voor de risicoberekening uitgevoerd met inachtneming van het Rekenprotocol spoorwegemplacementen, handleiding voor het uitvoeren van een kwantitatieve risicoanalyse."

2.3.2.    In de vergunningaanvraag van 29 mei 1998 wordt ten aanzien van de externe veiligheid verwezen naar het bij deze aanvraag behorende rapport "Aanvullend onderzoek en actualisering van de risico-analyse van NS-goederenemplacement Hengelo" van Ingenieurs/ adviesbureau SAVE in opdracht van de Nederlandse Spoorwegen uit maart 1994. Deze vergunningaanvraag maakt onderdeel uit van het bestreden besluit. In het aan dit rapport ten grondslag liggend onderzoek heeft volgens dit rapport over de gehanteerde gegevens betreffende handelingen met wagons beladen met gevaarlijke stoffen op het terrein van het onderhavige spoorwegemplacement uitvoerig overleg plaatsgevonden met de beheerder van dit emplacement. Aan de hand van deze gegevens is in dit rapport een overzicht gegeven van gevaarlijke stoffen, onderscheiden naar stofcategorie, waarmee op het spoorwegemplacement handelingen zullen worden verricht tot 2010. Het betreft volgens het rapport de stofcategorieën zeer toxisch gas (chloor), toxisch en brandbaar gas (ethyleenoxide), brandbaar gas (LPG) en toxische vloeistof (acrylnitril). Eveneens is in dit rapport een exacte opgaaf gedaan van het aantal wagons per stofcategorie tot 2010, waarmee handelingen worden verricht.

   Gezien het bovenstaande en nu in de aanvraag noch in het rapport uit maart 1994 enig voorbehoud is gemaakt ten aanzien van de daarin weergegeven aard en omvang van handelingen verricht met wagons beladen met gevaarlijke stoffen, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat slechts de in het desbetreffende rapport weergegeven activiteiten zijn aangevraagd. Dat appellante zich in haar bedenkingen naar aanleiding van het tweede ontwerp van het besluit op het standpunt heeft gesteld dat het rapport slechts een indicatie bevat inzake het verrichten van activiteiten met wagons beladen met gevaarlijke stoffen, doet hieraan niet af. Verweerder heeft met het bepaalde in voorschrift 2.1 van de vergunning overeenkomstig de aanvraag vergunning verleend. In zoverre is van een beperking of weigering van aangevraagde activiteiten, zoals appellante stelt, dan ook geen sprake.

   Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4.    Appellante acht een absoluut verbod van het opstellen van en het rangeren met zeer toxisch geladen wagons, zoals neergelegd in voorschrift 2.2 van de vergunning, onaanvaardbaar. Daarnaast acht appellante de in dat voorschrift gestelde uiterste datum van 1 januari 2007 onacceptabel.

2.4.1.    In voorschrift 2.2 van de vergunning is bepaald:

"In afwijking van voorschrift 2.1 is het niet toegestaan om met zeer toxisch gas geladen wagons (categorie B3) binnen de inrichting op te stellen dan wel hiermee te rangeren met ingang van:

a. het moment waarop het besluit van gedeputeerde staten van Overijssel tot intrekking van de vergunning op grond van de Wet milieubeheer van Akzo Nobel Base Chemicals B.V. voor de productie van chloor aan de Boortorenweg 27 in Hengelo in werking treedt, dan wel;

b. 1 januari 2007, voor zover het moment bedoeld onder a) later valt dan 1 januari 2007.

Toelichting: als door externe oorzaken, het niet tijdig gereedkomen van de chloorproductielocaties in de Botlek en Delfzijl, uitstel van deze datum noodzakelijk wordt geacht, kan op grond van artikel 8.24 Wet milieubeheer om verandering van deze datum worden verzocht."

2.4.2.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van de bescherming van het milieu met zich brengt dat handelingen met wagons beladen met zeer toxisch gas op termijn zal moeten worden beëindigd. Daartoe brengt hij naar voren dat uit het bij de aanvraag behorende rapport van Ingenieurs/ adviesbureau SAVE uit maart 1994, het Beleidsdocument Emplacement Hengelo van 17 februari 2003 en het rapport "Risicobeschouwing Goederenemplacement Hengelo" van Oranjewoud in opdracht van de gemeente Hengelo van 3 november 2004 blijkt dat, anders dan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico, de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt overschreden. Deze overschrijding wordt volgens de onderzoeksresultaten veroorzaakt door het opstellen van en rangeren met wagons beladen met zeer toxisch gas, namelijk chloor. Verweerder acht het onwenselijk om ten aanzien van het opstellen van en rangeren met chloor een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico te accepteren. Dit vanwege de omstandigheid dat chloor zwaarder is dan lucht, waardoor chloor bij een calamiteit een wolk vlak bij de grond vormt die slechts zeer langzaam oplost en nauwelijks is te bestrijden.

   Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de uiterste datum van 1 januari 2007 redelijk is. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat op 20 december 2002 een convenant is gesloten tussen de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Economische Zaken, Akzo Nobel N.V. en Akzo Nobel Base Chemicals B.V. met als doel het beëindigen van de structurele chloortransporten over het spoor met inbegrip van het vervoer over het spoor vanuit Hengelo naar het Botlek-gebied. Overeengekomen is om in beginsel per 1 januari 2006 de chloorproductie en chloorverwerking van Hengelo naar Delfzijl en het Rotterdamse Botlek-gebied te verplaatsen. De Tweede Kamer heeft aan de uitgangspunten van dit convenant goedkeuring gegeven. De Europese commissie heeft goedkeuring gegeven aan de financiële vergoeding die samenhangt met dit convenant. Uit het convenant volgt voorts dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel, als bevoegd gezag ten aanzien van de Akzo-locatie in Hengelo, tijdig zal overgaan tot de gedeeltelijke intrekking van de Wm-vergunning voor de desbetreffende inrichting voor zover deze ziet op de productie en verwerking van chloor. Het uitgangspunt is dat dit besluit uiterlijk op 1 januari 2006 wordt genomen. Om echter de duur van de periode, waarbinnen de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt overschreden, zo kort mogelijk te laten zijn, heeft verweerder het tijdstip - los van het feit of de vergunning dan daadwerkelijk is ingetrokken - gesteld op 1 januari 2007, aldus verweerder.

2.4.3.    De Afdeling overweegt dat verweerder, gelet op het bepaalde in voorschrift 2.2 van de vergunning, heeft beoogd de vergunning voor het opstellen van en het rangeren met wagons beladen met zeer toxisch gas op termijn te weigeren.

   Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder ter invulling van zijn beoordelingsruimte wat betreft het aspect externe veiligheid, vooruitlopend op de aanwijzing van spoorwegemplacementen in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Besluit) door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de normering en werkwijze van het Besluit tot uitgangspunt heeft mogen nemen. De systematiek van het Besluit brengt met zich dat in geval van overschrijding van de waarden dient te worden nagegaan welke maatregelen kunnen worden getroffen om het risico te verminderen dan wel dient te worden overwogen het risicovolle bedrijf dan wel het kwetsbare object binnen de in het Besluit gestelde termijnen te saneren. Het veiligheidsrisico wordt uitgedrukt in een tweetal grootheden: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar. Het groepsrisico is de cumulatieve kans dat een groep personen die aanwezig is in het invloedsgebied van een inrichting, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. De kans op overlijden van een bepaalde groep wordt afgezet tegen de groepsgrootte, de zogenoemde fN-curve. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een oriëntatiewaarde.

   Vaststaat en door appellante is niet betwist, dat door het verrichten van handelingen met zeer toxisch gas - in de onderhavige situatie is enkel het verrichten van handelingen met wagons beladen met chloor aangevraagd en vergund - de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico in ruimte mate wordt overschreden. Gezien de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de bescherming van het milieu zich niet verdraagt met het toestaan van het opstellen van en het rangeren met wagons beladen met de desbetreffende gevaarlijke afvalstof.

   Voorzover het beroep zich richt tegen de uiterste ingangsdatum van 1 januari 2007 in onderdeel b van voorschrift 2.2 van de vergunning, overweegt de Afdeling het volgende.

   Uit het rapport van het adviesbureau SAVE uit maart 1994 als ook het Beleidsdocument Emplacement Hengelo van 17 februari 2003 komt naar voren dat op het terrein van de inrichting het opstellen van en rangeren met wagons beladen met chloor enkel plaatsvindt vanwege het in werking zijn van Akzo Nobel Base Chemicals B.V. te Hengelo. Verweerder heeft wat betreft de termijn van beëindiging van deze activiteiten een koppeling gelegd met de procedure tot intrekking van de vergunning op grond van de Wet milieubeheer van Akzo Nobel Base Chemicals B.V. voor de productie van chloor, zij het dat indien op 1 januari 2007 nog geen besluit tot intrekking in werking is getreden dit de uiterste datum is. Een verlenging van deze uiterste datum van 1 januari 2007 acht hij met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer blijkens de toelichting bij voorschrift 2.2 van de vergunning niettemin onder omstandigheden aanvaardbaar.

   Het bestreden besluit is, voor zover het betreft voorschrift 2.2, onder b, en de woorden "dan wel" aan het slot van onderdeel a van voorschrift 2.2 van de vergunning onvoldoende gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder dient in zoverre een nieuw besluit te nemen.

   Deze beroepsgrond treft doel.

2.5.    Voor zover de beroepsgrond zich richt tegen voorschrift 4.1 van de vergunning, voor zover daarin wat betreft de beoordelingspunten wordt verwezen naar de bij het bestreden besluit behorende akoestische rapport met kenmerk G.93.0471.A van 19 maart 1997, overweegt de Afdeling dat beoordelingspunt 32 niet in het akoestische rapport van 19 maart 1997 maar in het PAGE/dEMP-geluidrapport uit 2002 wordt vermeld. Verweerder heeft deze fout onderkend. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemene beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen. Deze beroepsgrond treft doel. De Afdeling ziet aanleiding om op de hierna genoemde wijze toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6.    Appellante voert aan dat de in voorschrift 4.6 van de vergunning gestelde termijn te kort is. Daartoe heeft zij ter zitting gewezen op het feit dat de inrichting inmiddels valt onder het Uitvoeringsprogramma geluid, zodat niet zonder meer kan worden aangesloten bij de reeds opgedane technische inzichten in het kader van PRIL 2 waarvan het voornoemde Uitvoeringsprogramma de opvolger is. Opnieuw zal volgens haar moeten worden beoordeeld welke maatregelen binnen de huidige bedrijfsvoering mogelijk zijn. De gestelde termijn is te kort om een dergelijk onderzoek te kunnen verrichten, aldus appellante.

2.6.1.    In voorschrift 4.6 van de vergunning is bepaald:

"Vóór 1 januari 2006 moet een onderzoek worden overgelegd met daarin:

a) gevolgen van veranderingen in de bedrijfsvoering die redelijkerwijs zijn te voorzien en waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat deze gunstige gevolgen hebben voor de geluidbelasting van de omgeving van de inrichting;

b) mogelijke maatregelen die voor het emplacement in Hengelo kunnen worden doorgevoerd om te kunnen voldoen aan de geluidgrenswaarden zoals opgenomen in de voorschriften 4.1 en 4.3;

c) uitvoerbaarheid en kosten van de onder a) bedoelde maatregelen:

d) fasering van de invoering van maatregelen, waarbij ten minste een relatie wordt gelegd met het beschikbare budget en het Alara-beginsel;

e) de rapportage aan het bevoegd gezag van de voortgang van de onder c) bedoelde fasering."

2.6.2.    In het Beleidsdocument emplacement Hengelo van 17 februari 2003 heeft verweerder in samenwerking met appellante, aan de hand van onder meer de in het kader van de tweede fase van het landelijk Project Industrielawaai emplacementen (PRIL 2) gedane inventarisatie van mogelijk te treffen maatregelen ter reductie van de geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de spoorwegemplacementen, de zogenoemde PRIL-maatregelen, de meest effectieve maatregelen voor het emplacement Hengelo geselecteerd. Daarbij is tevens een kostenraming overgelegd.

   Gezien de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voorhanden zijnde gegevens ziet de Afdeling in hetgeen appellante stelt, geen grond voor het oordeel dat verweerder destijds een dergelijke termijn waarbinnen een onderzoek, zoals bedoeld in voorschrift 4.6 van de vergunning, dient te worden overgelegd, niet in redelijkheid heeft kunnen stellen. Dat inmiddels PRIL 2 is opgevolgd door het Uitvoeringsprogramma geluid maakt dit niet anders.

   Deze beroepsgrond faalt.

2.7.    Het beroep betreft voorts voorschrift 8.5 van de vergunning. Verweerder heeft in het verweerschrift - kort weergegeven - te kennen gegeven dat hij met appellante van mening is dat voorschrift 8.5 van de vergunning overbodig is en kan komen te vervallen. Gezien het vorenstaande overweegt de Afdeling dat verweerder in zoverre in strijd heeft gehandeld met het algemene beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

   Het beroep treft in zoverre doel.

2.8.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de voorschriften 2.2, aanhef en onder b, en onder a voor wat betreft de woorden "dan wel", 4.1, voor zover daarin wat betreft het beoordelingspunt 32 wordt verwezen naar de bij het bestreden besluit behorende akoestische rapport met kenmerk G.93.0471.A van 19 maart 1997, en 8.5 van de vergunning. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak voorzover het betreft voorschrift 2.2 van de vergunning. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Voorts zal de Afdeling wat betreft het vernietigde voorschrift 4.1, voor zover daarin wat betreft het beoordelingspunt 32 wordt verwezen naar de bij het bestreden besluit behorende akoestische rapport met kenmerk G.93.0471.A van 19 maart 1997, op hierna te melden wijze, met toepassing van artikel 8.72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 1 februari 2005, kenmerk 76328, voor zover het de voorschriften 2.2, onder b en de woorden "dan wel" onder a, 4.1, voor zover daarin wat betreft de beoordelingspunten wordt verwezen naar de bij het bestreden besluit behorende akoestische rapport met kenmerk G.93.0471.A van 19 maart 1997, en 8.5 van de vergunning betreft;

III.    bepaalt dat in voorschrift 4.1 van de vergunning de zinsnede "de hierna genoemde beoordelingspunten uit het bij deze beschikking behorende akoestisch onderzoek met nummer G.93.0471.A" als ook de bij het voorschrift behorende voetnoot komen te vervallen en de vorenstaande zinsnede komt te luiden: "de hierna genoemde beoordelingspunten 1 tot en met 30 uit het bij deze beschikking behorende akoestisch onderzoek met nummer G.93.0471.A en beoordelingspunt 32, dat wordt genoemd in het (geactualiseerde) PAGE/dEMP geluidrapport uit 2002,";

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit betreft het vernietigde voorschrift 4.1 van de vergunning, voor zover daarin wat betreft de beoordelingspunten wordt verwezen naar de bij het bestreden besluit behorende akoestische rapport met kenmerk G.93.0471.A van 19 maart 1997;

V.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo op binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen voorzover het betreft voorschrift 2.2 van de vergunning en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hengelo aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de gemeente Hengelo aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Drouen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

375.