Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3883

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200502152/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2004, het bestemmingsplan "Kernen Valkenburg aan de Geul" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/367 met annotatie van F.G.M.H.J. Weerts
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502152/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul, gemeente Valkenburg

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats]

5.    [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats]

6.    [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats]

7.    [appellant sub7], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2004, het bestemmingsplan "Kernen Valkenburg aan de Geul" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 februari 2005, kenmerk 2005/5570, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 8 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2005, [appellant sub 2] bij brief van 29 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul bij brief van 6 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2005, [appellant sub 4] bij brief van 11 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2005, [appellanten sub 5] bij brief van 12 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2005, [appellanten sub 6] bij brief van 13 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en [appellant sub 7] bij brief van 25 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2005, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 april 2005. [appellanten sub 5] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 mei 2005.

Bij brief van 27 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De [derdebelanghebbende] heeft aangegeven als partij deel te willen nemen aan het geding.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 oktober 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2006, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.R. de Jongh, de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul, vertegenwoordigd door drs. J.T.A.M. Dooper, drs. W.T.M. Hendriks en J.N.E. Meurders, ambtenaren van de gemeente, [appellanten sub 6], [appellant sub 7] en verweerder, vertegenwoordigd door P.H.M. Haenen, ambtenaar van de provincie zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de [derde belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkoijen. [appellanten sub 1], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] zijn niet verschenen. [appellanten sub 1] en [appellant sub 4] hebben hiervan vooraf kennis gegeven.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 4] overweegt de Afdeling het volgende.

   Appellant stelt dat verweerder ten onrechte niet aan de motivering van de onthouding van goedkeuring betreffende het noordelijke deel van het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" met betrekking tot het perceel [locatie 1], ten grondslag heeft gelegd dat op dit deel van het perceel had moeten worden voorzien in een agrarisch bouwblok.

2.2.1.    Appellant heeft geen bedenkingen ingediend tegen het vastgestelde plan. Ingevolge artikel 56, tweede lid, onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kan voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring van een bestemmingsplan door een ieder beroep worden ingesteld. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenkingen. Uit de strekking van deze bepalingen vloeit voort dat het beroep tegen een onthouding van goedkeuring slechts ontvankelijk is voorzover door de onthouding van goedkeuring een ongunstiger situatie is ontstaan voor de rechtzoekende. Nu het vastgestelde plan reeds niet voorziet in een agrarisch bouwblok op het noordelijke deel van het perceel van appellant, doet deze situatie zich niet voor. Voorts is gesteld noch gebleken dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake een bedenking in te brengen.

   Het beroep van appellant is dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt [appellanten sub 1]

2.4.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de wijzigingsbevoegdheid die ingevolge artikel 36, derde lid, van de planvoorschriften rust op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" aan de Mauritiussingel.

   Appellanten voeren daartoe aan dat door de mogelijke woningbouw het vrije uitzicht en daardoor het woongenot zal verminderen. Ook zal de waarde van de woning aanzienlijk dalen. Volgens appellanten betekent woningbouw ter plaatse een aanslag op het waardevolle landschap en de aanwezige natuur. Appellanten doen een aantal voorstellen voor het geval dat de woningbouw doorgang vindt. Zij stellen voor luchtige randbebouwing te realiseren, openheid te betrachten in informatieverstrekking door de gemeente, zorg te besteden aan de wateroverlast, de speelgelegenheid te handhaven en een brede weg met voldoende parkeerplaatsen te realiseren. Voorts wijzen appellanten op een alternatieve locatie waar mogelijke woningbouw, naar hun mening, landschappelijk gezien minder ingrijpend zou zijn.

Het bestreden besluit

2.4.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Daartoe stelt verweerder zich onder meer op het standpunt dat eerst op het moment dat het besluit tot wijziging van het bestemmingsplan ter goedkeuring aan het college van gedeputeerde staten voorligt, een juiste eindbeoordeling kan plaatsvinden van de voorgenomen woningbouwontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Vaststelling van de feiten

2.4.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.2.1.    Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de kernen binnen de gemeente Valkenburg aan de Geul, met uitzondering van de kern Valkenburg, en voor een deel van de bebouwde kom van Valkenburg.

2.4.2.2.    Appellanten wonen aan [locatie 2], welk perceel gelegen is tegenover de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" waarop ingevolge artikel 36, derde lid, van de planvoorschriften een wijzigingsbevoegdheid rust. Deze gronden hebben deels de dubbelbestemming "Beschermingszone a" en de nadere aanduiding "Begrenzing waarnaar in artikel 3, vijftiende lid, en artikel 13, vijfde lid, van de planvoorschriften wordt verwezen (populierbos en laag- en hoogstamboomgaard)". Tevens is aan de gronden de aanduiding "VIa" toegekend.

2.4.2.3.    Ingevolge artikel 36, derde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen voor zover het betreft de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" en voor zover op de bestemmingskaart aangegeven met het Romeinse cijfer VI en de letter a, in de bestemming "Woondoeleinden", mits de belangen van derden en de waarden van aangrenzende bestemmingen niet onevenredig worden geschaad, een goed milieu kan worden gegarandeerd en aanwezige bedrijven in hun functioneren niet onevenredig worden beperkt. Ingevolge dit artikel zijn op voornoemde gronden maximaal 15 grondgebonden woningen toelaatbaar.

2.4.2.4.    Ingevolge artikel 26, eerste lid, en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de bestemmingskaart als "Beschermingszone a" aangegeven gronden behalve voor de doeleinden van de andere krachtens dit plan aan deze gronden gegeven bestemmingen en met inachtneming van de op de bestemmingkaart aangegeven beekprofielen, primair bestemd voor de bescherming en het onderhoud ten behoeve van natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de in deze zone gelegen of aan deze zone grenzende watergang.

2.4.2.5.    Ingevolge artikel 3, vijftiende lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden om gronden met kleine landschapselementen zijnde populierenbos, hoogstamboomgaard of laagstamboomgaard te vellen of te rooien, dan wel zodanige werkzaamheden te verrichten dat ze ernstige beschadiging of de dood respectievelijk verdwijning van de genoemde kleine landschapselementen tot gevolg hebben.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.3.    Het bepaalde in artikel 26, eerste lid, en onder a, en artikel 3, vijftiende lid, van de planvoorschriften met betrekking tot de dubbelbestemming "Beschermingszone a" en de nadere aanduiding "Begrenzing waarnaar in artikel 3, vijftiende lid, en artikel 13, vijfde lid, van de planvoorschriften wordt verwezen (populierbos en laag- en hoogstamboomgaard)" betreffende kleine landschapselementen, is er op gericht de fysieke waarden van de gronden waaraan deze dubbelbestemming en/of nadere aanduiding is toegekend, tegen aantasting te beschermen. Gelet op de aard van deze bepalingen acht de Afdeling de wijzigingbevoegdheid als bedoeld in artikel 36, derde lid, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening voor zover deze mede rust op gronden waaraan bovengenoemde dubbelbestemming en bovengenoemde nadere aanduiding zijn toegekend, omdat de wijzigingsbevoegdheid ter plaatse van de dubbelbestemming en de nadere aanduiding ter plaatse woningbouw mogelijk maakt.

2.4.4.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het leggen van de wijzigingsbevoegdheid op het plandeel met de dubbelbestemming en de nadere aanduiding niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door de wijzigingsbevoegdheid voor dat plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet in het vorenstaande aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb in zoverre alsnog goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de dubbelbestemming en/of de nadere aanduiding, voor zover daarop de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 36, derde lid, van de planvoorschriften is gelegd, als nader aangeduid op de kaart die aan deze uitspraak is gehecht.

2.4.5.    Ten aanzien van hetgeen appellanten voor het overige aanvoeren voor zover dit het deel van het plandeel met enkel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" betreft, overweegt de Afdeling het volgende.

2.4.6.    Niet is gebleken dat woningbouw ter plaatse in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een juiste beoordeling van de voorgenomen woningbouwontwikkeling in relatie tot de omgeving pas kan plaatsvinden indien sprake is van een concreet besluit met betrekking tot deze woningontwikkeling. De voorstellen die door appellanten naar voren zijn gebracht voor het geval dat de woningontwikkeling doorgang vindt, kunnen dan ook in de procedure omtrent de wijziging van de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" in de bestemming "Woondoeleinden" worden bezien.

   Overigens heeft de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul ter zitting bevestigd dat bij een besluit omtrent de woningontwikkeling rekening zal worden gehouden met de invulling van de parkeermogelijkheden en het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast.

2.4.7.    Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich voor dit plandeel niet voordoet.

2.4.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel voor zover daaraan enkel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" is toegekend, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder op dit punt terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Standpunt [appellant sub 2]

2.5.    Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" voor zover dit ziet op het perceel aan [locatie 3]. Daartoe voert hij aan dat die bestemming ten onrechte niet de bouw van een garage toelaat. Voorts stelt appellant dat het huidige gebruik van de gronden ter plaatse van de gewenste garage in strijd is met de toegekende bestemming en door het gemeentebestuur wordt toegestaan. Omdat niet aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd, had een bestemming overeenkomstig het gebruik moeten worden toegekend. Verweerder heeft de Handreiking Ruimtelijke ontwikkeling Limburg (hierna: de Handreiking) ten onrechte niet meegewogen in het besluit, omdat daarin, volgens appellant, een versoepeling van de bouwregels is opgenomen en het contourenbeleid is losgelaten. Volgens appellant is het gelijkheidsbeginsel van toepassing ten aanzien van de bouw van een garage aan de Putweg in Houthem en heeft verweerder onvoldoende aangegeven wat de verschillen zijn met zijn perceel. De garage kan, volgens appellant, niet naast het huis worden gebouwd aangezien daar onvoldoende ruimte aanwezig is, de oprit niet mag worden dichtgebouwd in verband met het doorzicht en de schapenstal bereikbaar moet blijven.

Het bestreden besluit

2.5.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Verweerder merkt op dat de gronden van appellant gelegen zijn buiten de bebouwingscontour van Schin op Geul en direct grenzen aan het buitengebied. Hij betoogt dat op de met "Woondoeleinden" bestemde locatie voldoende rekening is gehouden met de mogelijkheden voor de bouw van bergingen en een garage. De gronden die bestemd zijn tot "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" bieden geen mogelijkheid om bijgebouwen te realiseren waardoor de openheid van deze gebieden wordt gegarandeerd. Verdere bebouwing van deze gebieden is ongewenst. Volgens verweerder is de vergelijking met de locatie Putweg niet relevant omdat het hier een planologisch geheel andere situatie betreft.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.2.1.    Het perceel van appellant aan [locatie 3] heeft deels de bestemming "Woondoeleinden" en deels de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden". Zijn perceel is gelegen buiten de woningbouwcontour zoals genoemd in het streekplan Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: het POL).

2.5.2.2.    Volgens het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende provinciale ruimtelijke beleid, zoals neergelegd in paragraaf 3.3.6. van het POL, voor zover thans van belang, zijn in Zuid-Limburg (buiten het Grensmaasgebied) al de bestaande stads- en dorpsgebieden in het landelijk gebied voorzien van een contour, zoals die in het Streekplan open-ruimtebeleid in 1999 is vastgesteld. Deze contouren zijn precies vastgelegd en bindend. De contour is de ruimtelijke buitengrens van een kern die in de toekomst niet overschreden mag worden met aan de kern verbonden nieuwe bebouwing. Marginale afwijkingen van de contour zijn slechts mogelijk als de uitgangspunten en doelstellingen van het beleid niet worden aangetast.

2.5.2.3.    In de Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg, vastgesteld door het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg in juli 2004, gepubliceerd op 14 juli 2004, is in paragraaf 1.5 het volgende opgenomen, voor zover thans van belang: "Het komt er nu op aan dat provincie en gemeenten werk maken van de kansen die de nieuwe Handreiking biedt. Voor gemeenten betekent dit: [..] - eigen beleid ontwikkelen voor die onderdelen waar de provinciale regelgeving een stapje terug doet. Dit geldt met name voor een aantal bouwregels in het buitengebied. Gemeenten wordt gevraagd om aan de hand van deze Handreiking en binnen de kaders van het POL zelf beleid te maken voor de uitbreiding van burgerwoningen, voor bijgebouwen bij burgerwoningen, voor nieuwe economische dragers in vrijkomende (agrarische) bedrijfsgebouwen of als ondergeschikte activiteit op agrarische bedrijven, voor de bedrijfswoning op agrarische bedrijven, voor recreatiewoningen, etc."

   In paragraaf 2.1.4 is ten aanzien van het contourenbeleid opgenomen dat bij de afbakening van bouwmogelijkheden in de kernen in Zuid-Limburg rekening moet worden gehouden met de Partiële streekplanherziening openruimte- en bufferzonebeleid Zuid-Limburg. Dit plan vormt een integraal onderdeel van het POL. In de streekplanherziening zijn rode contouren aangegeven. Deze contouren gelden als harde lijnen, die niet overschreden mogen worden met nieuwe tot de kern behorende woon- en bedrijfsbebouwing.

2.5.2.4.    Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn, voor zover thans van belang, de op de bestemmingskaart als agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden aangegeven gronden bestemd voor:    - agrarisch grondgebruik;

   - behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke,     landschappelijke en cultuurhistorische waarden;

   - extensief recreatief medegebruik;

   - verkeersdoeleinden;

   - instandhouding en uitbreiding van waterremmende en erosie     beperkende landschapselementen;

   - instandhouding en/of inrichten van de ecologische verbindings- en     ontwikkelingszones.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub b, van dit artikel worden de in het eerste lid omschreven doeleinden als volgt nagestreefd: […] b. met het oog op extensief recreatief medegebruik mogen kleinschalige picknickplaatsen en rustpunten worden aangelegd en zitbanken, afvalbakken en borden worden geplaatst, daar waar dit, gelet op de ter plekke aanwezige landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden acceptabel is.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel mag op of in de tot agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden bestemde gronden niet worden gebouwd met uitzondering van andere bouwwerken zoals bepaald in het tweede lid, sub b, van dit artikel tot een hoogte van maximaal 2.50 meter en erfafscheidingen waarvan de hoogte maximaal 2,00 meter mag bedragen.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.3.    Niet bestreden is dat de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" ingevolge artikel 13 van de planvoorschriften de bouw van een garage niet toelaat.

   In tegenstelling tot hetgeen appellant in zijn beroepschrift betoogt, is het gebruik van de gronden als tuin en erf ter plaatse van de gewenste garage, zoals door de gemeenteraad ter zitting is bevestigd, niet strijdig met de huidige bestemming zoals neergelegd in artikel 13 van de planvoorschriften. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen instemmen met de aan de gronden toegekende bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden". Daarbij betekent het enkele feit dat het gebruik als tuin van de gronden ter plaatse van de gewenste garage in overeenstemming is met de toegekende bestemming, niet dat de bouw van een garage op voornoemde gronden mogelijk moet worden gemaakt.

2.5.4.    Het provinciaal beleid zoals neergelegd in het POL laat de bouw van een garage ter plaatse niet toe.

   Het standpunt van appellant dat verweerder de Handreiking ten onrechte niet heeft meegewogen in het besluit, omdat daarin een versoepeling van de bouwregels is opgenomen en het contourenbeleid is losgelaten, is onjuist. Afgezien van de omstandigheid dat de Handreiking niet aan te merken is als een herziening van het streekplan in de zin van artikel 4a, eerste lid, van de WRO en derhalve geen afwijking kan inhouden van het beleid dat is neergelegd in het POL, kan ook uit de inhoud van de Handreiking niet worden afgeleid dat sprake is van een versoepeling van het beleid. Uit hetgeen is opgenomen in rechtsoverweging 2.5.2.3. blijkt dat de ontwikkeling van beleid door gemeentebesturen dient plaats te vinden binnen de kaders van het POL en dat rekening gehouden dient te worden met de Partiële streekplanherziening openruimte- en bufferzonebeleid Zuid-Limburg, waarin het contourenbeleid is neergelegd.

2.5.5.    In de door appellant aangevoerde omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hierin grond had moeten zien om af te wijken van zijn beleid. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de door appellant aangeduide situatie op een perceel aan de Putweg, zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

2.5.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Standpunt gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul en [appellanten sub 6]

2.6.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de plandelen die gelegen zijn buiten de bebouwingscontour en waaraan de mogelijkheid is toegekend, al dan niet middels een wijzigingsbevoegdheid, woningbouw te realiseren. De gemeenteraad voert daartoe aan dat op deze gronden van oudsher bouwtitels rusten. Ter voorkoming van planschadeclaims zijn de bouwlocaties in het bestemmingsplan opgenomen. Volgens de gemeenteraad is het risico aanwezig dat mogelijke financiële gevolgen geheel moeten worden gedragen door de gemeente.

   [appellanten sub 6] stellen dat de percelen altijd bouwpercelen zijn geweest. Bebouwing heeft echter tot dusver niet plaatsgevonden om bedrijfsredenen. Voorts willen appellanten, als zij stoppen met hun bedrijf, op één van de percelen een woning voor eigen gebruik bouwen. Zij stellen dat de onthouding van goedkeuring tot grote financiële gevolgen leidt, mede aangezien een deel van de gelden die de percelen zouden opbrengen reeds is aangewend voor het opknappen van monumentale panden.

   De gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul stelt voorts dat verweerder ten onrechte heeft opgemerkt dat in de herziening een andere regeling zal moeten worden getroffen voor de kernen Terblijt, IJzeren en Emmaberg die thans nog zijn opgenomen in het plan.

Het bestreden besluit

2.6.1.    Verweerder heeft de plandelen betreffende de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenburg aan de Geul sectie C nrs. 831, 1108, 2423, 3140, 2168, 3143 in strijd met een goede ruimtelijke ordening en het recht geacht en hieraan goedkeuring onthouden. Daartoe heeft hij, voor zover thans van belang, zich op het standpunt gesteld dat in het voorliggend plan bebouwingscontouren zijn aangegeven, maar dat in het plan diverse mogelijkheden zijn om, al dan niet middels een wijzigingsbevoegdheid, woningbouw te realiseren op locaties buiten de bebouwingscontour. Volgens verweerder is het beleid met betrekking tot de bestaande bouwtitels buiten de bebouwingscontour reeds lange tijd bekend. Rechthebbenden hebben geruime tijd in de positie verkeerd om deze bouwtitels invulling te geven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het alleszins de vraag is in hoeverre planschadeclaims in dat perspectief toekenning kunnen krijgen. De gemeenteraad onderbouwt het economische aspect niet nader. Verweerder stelt vast dat het conserverende karakter van het bestemmingsplan weinig financiële gevolgen meebrengt.

   Voorts heeft verweerder opgemerkt dat hij er van uit gaat dat het gemeentebestuur voor gronden die vanuit functioneel en landschappelijk oogpunt deel uitmaken van het buitengebied straks een regeling zal opnemen in de herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied".

Vaststelling van de feiten

2.6.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.2.1.    De percelen kadastraal bekend gemeente Valkenburg aan de Geul sectie C nrs. 831, 1108, 2423, 3140, 2168, 3143 zijn gelegen buiten de bebouwingscontour. Alle percelen zijn tot op heden onbebouwd.

   De percelen met nrs. […] zijn sinds 1987 eigendom van [appellanten sub 6]. Zij wonen op een nabijgelegen perceel waar zij een agrarisch bedrijf exploiteren.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.3.    De onthouding van goedkeuring heeft niet mede betrekking op de door de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul genoemde kernen. In zoverre mist het beroep feitelijke grondslag. Overigens valt de vraag of er kernen in de herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" moeten worden opgenomen buiten het kader van de onderhavige procedure.

2.6.4.    Gelet op het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende provinciale ruimtelijke beleid, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.5.2.2., mocht verweerder in beginsel uitgaan van de daarin opgenomen bebouwingscontouren.

   In de door appellanten aangevoerde omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hierin grond had moeten zien om af te wijken van zijn beleid. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de enkele vrees voor planschadeclaims, niet een dergelijke grond is. Ten aanzien van [appellanten sub 6] neemt de Afdeling in aanmerking dat appellanten sinds 1987 geen activiteiten hebben ondernomen om hun percelen te bebouwen en geen concrete bouwplannen hebben voor deze percelen.

   Derhalve heeft verweerder terecht goedkeuring onthouden aan de bestemmingsregeling die voorziet in de mogelijkheid om woningen te bouwen op bovengenoemde percelen, vanwege het feit dat deze gelegen zijn buiten de bebouwingscontour.

2.6.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

   De beroepen van deze appellanten zijn ongegrond.

Standpunt [appellanten sub 5]

2.7.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden 1" betreffende de percelen aan [locatie 4 en 5]. Daartoe betogen appellanten dat sprake is van onacceptabele uitbreidingsmogelijkheden, aangezien de percelen voor 100% bebouwd kunnen worden en in de hoogte ook sprake is van uitbreidingsmogelijkheden. Voorts worden door de toekenning van de bestemming illegale bouwsels gelegaliseerd. Volgens appellanten is sprake van een onzorgvuldige belangenafweging, omdat met de belangen van appellanten geen rekening is gehouden.

Het bestreden besluit

2.7.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.7.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.2.1.    Appellanten wonen op een perceel aan [locatie 6]. De bedrijfsonderdelen van [derdebelanghebbenden] zijn gelegen op de percelen aan [locatie 5] respectievelijk [locatie 4] aan weerszijden van de woning van appellanten. Het bedrijf 'Mechanisatie' is sinds 1954 gevestigd op het perceel aan [locatie 5]. Het bedrijf 'Tuin en Park' is sinds 1977 gevestigd op het perceel aan [locatie 4]. Het plan voorziet in een bestemming die overeenkomt met het feitelijk gebruik van de percelen aan [locaties 4 en 5] Aan het perceel aan [locatie 4] is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden 1"met de aanduiding "detailhandelsdoeleinden (D)", aan het perceel aan de [locatie 5] is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden 1" met de aanduidingen "detailhandelsdoeleinden" en "I" toegekend.

2.7.2.2.    Ingevolge artikel 5, onder het kopje 'Bedrijven', van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, krijgen bedrijven die vallen onder milieucategorie 3 of hoger een gerichte bestemming.

2.7.2.3.    Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op de tot "Bedrijfsdoeleinden 1" bestemde gronden uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande dat op de bestemmingsplankaart in het linker vak van de matrix - al dan niet binnen een begrensd matrixgebied aangegeven - de maximale goothoogte van gebouwen in meters is aangegeven. Op de bestemmingsplankaart is tevens in het rechter vak van de matrix - al dan niet binnen een begrensd matrixgebied aangegeven - het maximale bebouwingspercentage van het bebouwingsvlak aangegeven.

   Ingevolge het derde lid, onder c, van dit artikel dienen gebouwen binnen het op de bestemmingsplankaart aangegeven bebouwingsvlak te worden geplaatst.

   Uit de nadere aanduidingen op de plankaart blijkt dat het bebouwingsvlak op het perceel aan [locatie 4] voor 100% mag worden bebouwd tot een maximale goothoogte van 7 meter. Daaruit blijkt tevens dat het bebouwingsvlak op het perceel aan [locatie 5] voor 100% mag worden bebouwd tot een maximale goothoogte van 8 meter.

2.7.2.4.    Uit het onderzoek naar de feiten door de StAB blijkt dat deze bouwmogelijkheden overeenkomen met de bestaande situatie. Op het perceel aan [locatie 4] is het toegekende bouwvlak reeds bebouwd tot een goothoogte van 8 meter. Op het perceel aan [locatie 5] is het toegekende bouwvlak geheel bebouwd. De gebouwen op dit perceel hebben een goothoogte van 8 meter of een goothoogte van 6 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.3.    Het betoog van appellanten dat de percelen voor 100% kunnen worden bebouwd, is onjuist. Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, b, en c, van de planvoorschriften kunnen de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden 1" slechts binnen de bebouwingsvlakken worden bebouwd. Uit de plankaart blijkt dat de bebouwingsvlakken slechts een deel van de totale oppervlakte van de percelen beslaan.

   Voorts is niet gebleken van vergaande uitbreidingsmogelijkheden ten opzichte van de bestaande bebouwing. De bebouwingsvlakken op de plandelen zijn reeds geheel bebouwd. Uit de stukken blijkt dat voor een deel van de gebouwen op het perceel aan [locatie 5] een uitbreidingsmogelijkheid bestaat, in die zin dat de goothoogte kan worden verhoogd van 6 meter naar maximaal 8 meter. Deze uitbreidingsmogelijkheid is echter niet van dien aard dat appellanten daardoor onevenredig in hun belangen worden geschaad. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de goothoogte is vastgesteld op grond van het gebouw met de hoogste goothoogte op dit perceel.

2.7.4.    Verweerder heeft in de stelling van appellanten dat door de toekenning van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden 1", overigens door appellanten niet nader aangeduide, illegale bouwwerken worden gelegaliseerd, in redelijkheid geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen, nu appellanten deze stelling niet nader hebben onderbouwd met planologische bezwaren en voorts niet is gebleken dat appellanten overlast ondervinden van deze bebouwing.

2.7.5.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de belangen van appellanten niet dan wel onvoldoende bij het besluit zijn betrokken. Daarbij acht de Afdeling van belang dat een maatbestemming is toegekend die overeenkomt met de feitelijke, reeds lang bestaande, situatie en [derdebelanghebbende] geen zodanige uitbreidingsmogelijkheden heeft dat appellanten daardoor in hun belangen worden geschaad.

2.7.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

   Het beroep is ongegrond.

Standpunt [appellant sub 7]

2.8.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plangrens voor zover in het plan gronden zijn opgenomen die tot het buitengebied behoren. Appellant betoogt dat deze gronden moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied" om onduidelijkheden te voorkomen. Ook wordt, volgens appellant, voorbij gegaan aan het Koninklijk besluit van 6 augustus 1993 omtrent de gronden die tot het buitengebied behoren.

   Verder heeft verweerder ten onrechte goedkeuring verleend aan het perceel C1 nr. 1543, omdat de gemeenteraad het plan voor zover het dit perceel betreft, niet heeft gewijzigd conform het gegrond verklaarde bezwaar van appellant en omdat verschillende plankaarten zijn gebruikt bij de hoorzitting en de terinzagelegging. Voorts zijn in de toelichting bij het plan ten onrechte familienamen gebruikt. Volgens appellant dienen uit een oogpunt van privacy en toekomstvisie slechts perceelsnummers en functies genoemd te worden.

Het bestreden besluit

2.8.1.    Verweerder heeft de desbetreffende plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd. Daartoe stelt hij zich op het standpunt dat de gemeenteraad ten aanzien van het vaststellen van bestemmingsplangrenzen een grote vrijheid heeft. Het bestemmingsplan voldoet aan de bij het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 gestelde eisen.

Vaststelling van de feiten

2.8.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.2.1.    De begrenzing van het plan en de planvoorschriften komen nagenoeg geheel overeen met de grenzen zoals die zijn opgenomen in de bestemmingsplannen "Strucht e.o." en "Buitengebied 1994". Ter zitting is door de vertegenwoordiger van de gemeenteraad verklaard dat de intentie van het plan is om in eerdere plannen vastgestelde planbegrenzingen en toegekende bestemmingen te respecteren. Appellant hoeft volgens de gemeenteraad niet te vrezen voor aantasting van het landschap.

2.8.2.2.    In het Koninklijk besluit van 6 augustus 1993, no. 93.006399, inzake het bestemmingsplan "Buitengebied" heeft de Kroon, voor zover thans van belang, overwogen:

   "Wij zijn niet overtuigd geraakt van de noodzaak al deze gronden die feitelijk tot het buitengebied behoren daaraan te onttrekken enkel en alleen omdat daarop diverse agrarische bedrijven zijn gelegen dan wel diverse percelen met tuinen dieper dan over het algemeen gebruikelijk. […] Naar ons oordeel is een nadere afstemming van de plangrens in het licht van het daadwerkelijke gebruik van de gronden ter plaatse noodzakelijk".

   In haar uitspraak van 17 januari 1997, zaak no. E01.94.0471, inzake het bestemmingsplan "Strucht e.o." heeft de Afdeling overwogen dat "is gebleken dat de bouw- en gebruiksvoorschriften van het plan "Strucht e.o." die zien op de bestemmingen "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden" en "Tuin met hoge landschappelijke waarden" vrijwel overeenstemmen met de bouw- en gebruiksvoorschriften van het plan "Buitengebied 1994" die betrekking hebben op de bestemming "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden". Gelet hierop, is de Afdeling van oordeel dat de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul bij het vaststellen van het voorliggende plan de strekking van het besluit van de Kroon van 6 augustus 1993 inzake het bestemmingsplan "Buitengebied" in acht heeft genomen, zodat verweerders hebben kunnen oordelen dat wordt voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 30, van de WRO."

   In haar uitspraak van 28 september 1998, zaak no. E01.95.0110, inzake de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" heeft de Afdeling bovengenoemde uitspraak bevestigd door te overwegen:

   "De Afdeling is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan thans tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen".

2.8.2.3.    Naar aanleiding van de reactie van appellant op het ontwerpbestemmingsplan heeft de gemeenteraad de bestemming van perceel C1 nr. 1543 aangepast aan de bestemming van dat perceel in het bestemmingsplan "Strucht e.o.". De bestemming van het zuidelijke deel van dit perceel is gewijzigd van de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" naar de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden".

Het oordeel van de Afdeling

2.8.3.    Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

   De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

2.8.4.    Uit de stukken is gebleken dat de bestemming van het perceel C1 nr. 1543 naar aanleiding van de reactie van appellant op het ontwerpbestemmingsplan, conform zijn bezwaren is aangepast. Derhalve is aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen in het vastgesteld plan en mist het beroep van appellant voor zover hij betoogt dat niet aan zijn bezwaren met betrekking tot dit perceel tegemoet gekomen is, feitelijke grondslag. Voorts is niet gebleken dat bij de hoorzitting en de terinzagelegging van het plan verschillende plankaarten zijn gebruikt.

2.8.5.    Ten aanzien van het betoog dat in de plantoelichting ten onrechte familienamen zijn gebruikt, overweegt de Afdeling dat de plantoelichting geen onderdeel uitmaakt van het plan zodat daaraan geen bindende betekenis kan worden toegekend.

   In eventuele onjuistheden in de plantoelichting, wat daar overigens ook van zij, hoefde verweerder dan ook geen aanleiding te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.8.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De omstandigheid dat het ontwerpplan enkele slordigheden bevatte, kan daaraan, hoezeer dit appellant ook aan het hart gaat, niet afdoen. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen.

   Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.9.    Ten aanzien van [appellanten sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 4] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellanten sub 1] gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 8 februari 2005, kenmerk 2005/5570, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel betreffende de Mauritiussingel met de dubbelbestemming "Beschermingszone a" en/of de nadere aanduiding "Begrenzing waarnaar in artikel 3, vijftiende lid, en artikel 13, vijfde lid, van de planvoorschriften wordt verwezen (populierbos en laag- en hoogstamboomgaard)" is toegekend, voor zover daarop de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 36, derde lid, van de planvoorschriften is gelegd, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

IV.    onthoudt goedkeuring aan het onder I genoemde plandeel;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

VI.    verklaart het beroep van [appellanten sub 1] voor het overige ongegrond;

VII.    verklaart de beroepen van [appellant sub 2], de gemeenteraad van Valkenburg aan de Geul, [appellanten sub 6], [appellanten sub 5] en [appellant sub 7] ongegrond;

VIII.    gelast dat de provincie Limburg aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

12-458.

plankaart