Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3879

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200508306/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) een verzoek van appellante om toezending van een raadkamerverslag van de commissie van advies van bezwaar- en beroepschriften, sociale zekerheidskamer, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet bestuursrecht 8:75a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 384 met annotatie van C.M. Bitter
JB 2006/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508306/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Leeuwarden,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/65 van de rechtbank Leeuwarden van 3 augustus 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) een verzoek van appellante om toezending van een raadkamerverslag van de commissie van advies van bezwaar- en beroepschriften, sociale zekerheidskamer, afgewezen.

Bij brief van 27 december 2000 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

Appellante heeft tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank).

Bij besluit van 25 februari 2005 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, voor zover het bezwaar niet is doorgezonden naar de adviescommissie voor de bezwaarschriften, sociale zekerheidskamer, en een kostenvergoeding, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) toegekend.

Bij brief van 17 maart 2005 heeft appellante het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

Bij uitspraak van 3 augustus 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 13 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Achterhof, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Anders dan het college in de reactie van 23 december 2005 heeft aangevoerd, heeft appellante in het hoger-beroepschrift gronden, als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, aangevoerd waarom zij het niet eens is met de aangevallen uitspraak, zodat het hoger beroep niet niet-ontvankelijk is.

2.2.    Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.

    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), voor zover thans van belang, kan een veroordeling in de kosten, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uitsluitend betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ten aanzien van [adviseur] geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens appellant houdt [adviseur] in zijn hoedanigheid van juridisch adviseur kantoor te Leeuwarden en verleent hij beroepsmatig rechtsbijstand.

2.3.1.    De rechtbank heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, in die zin dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat ten aanzien van [adviseur] sprake is van een door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen concrete bewijsstukken overgelegd dat [adviseur] tevens andere cliënten heeft en kantoor houdt op het adres van het bedrijf "Lawadviser", dat tevens het woonadres van de ter zitting verschenen [gemachtigde] is. [adviseur] heeft, ondanks het daartoe bij brief van 4 mei 2005 door de rechtbank gedane verzoek, evenmin concrete bewijsstukken, in het bijzonder een belastingaangifte, dan wel (een gedeelte van) de boekhouding, overgelegd. De ter zitting overgelegde nota aan appellante kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen.

    De rechtbank is terecht en op goede gronden tot voormeld oordeel gekomen. De enkele stelling dat wel sprake is van een door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, biedt geen grond voor een ander oordeel.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    De Afdeling ziet geen aanleiding om het ter zitting gedane verzoek van het college om appellante te veroordelen in de door hem gemaakte reiskosten in te willigen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.F.C. van Rheenen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Rheenen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

385.