Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3869

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200504861/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: burgemeester en wethouders) een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen ten behoeve van de bouw van een opslagloods op het perceel, gelegen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504861/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2629 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 21 april 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: burgemeester en wethouders) een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen ten behoeve van de bouw van een opslagloods op het perceel, gelegen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 juli 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 23 maart 2004 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 21 april 2005, verzonden op 22 april 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 31 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2006, waar het college, vertegenwoordigd door A.J. Vos, ambtenaar der provincie, is verschenen. Appellant is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in de oprichting op het perceel van een opslagloods met een oppervlakte van ongeveer 231 m² ten behoeve van een sinds 1982 op het perceel gevestigd klussenbedrijf. De opslagloods strekt tot vervanging van een zich op het perceel bevindende, zonder bouwvergunning gerealiseerde nissenhut met een oppervlakte van ongeveer 100 à 120 m². Ook deze was in gebruik ten behoeve van het klussenbedrijf.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Landschappelijk waardevol agrarisch gebied B". Het bouwplan is — naar ook niet in geschil is — in strijd met die bestemming, nu op de gronden met deze bestemming niet mag worden gebouwd. Dat het gebruik van het perceel ten behoeve van het klussenbedrijf, zoals appellant betoogt, onder het gebruiksovergangsrecht valt en derhalve geen verklaring van geen bezwaar nodig zou zijn, brengt niet mee dat ten behoeve van dit gebruik mag worden gebouwd. Realisering van het bouwplan krachtens het overgangsrecht inzake bouwen is evenmin mogelijk, nu het bouwplan strekt tot algehele vervanging en aanzienlijke vergroting van een eerder zonder bouwvergunning gerealiseerd bouwwerk, terwijl niet is gebleken dat sprake is geweest van een calamiteit.

2.3.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met het streekplan. Daartoe voert hij aan dat het college het bedrijf van appellant ten onrechte niet als een bestaand bedrijf als in dat streekplan vermeld heeft aangemerkt.

2.3.1.    Het college heeft het bouwplan getoetst aan het streekplan Noord-Brabant 2002 "Brabant in Balans" (hierna: het streekplan). Voor zover thans van belang, is in dit plan ten aanzien van overige niet aan het buitengebied gebonden bedrijven, waaronder ook het bedrijf van appellant moet worden begrepen, vermeld dat dergelijke bedrijven thuishoren op een bedrijventerrein of in een kern en dat nieuwvestiging van deze bedrijven daarom niet is toegestaan, ook niet als het gaat om gedwongen verplaatsing van een reeds in het buitengebied gevestigd bedrijf. Onder bepaalde voorwaarden is vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie volgens het streekplan wel toegestaan. Bestaande niet aan het buitengebied gebonden bedrijven, niet zijnde agrarisch-technische hulpbedrijven, en agrarisch verwante bedrijven, krijgen een uitbreidingsruimte van maximaal 15% van de ingevolge het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte.

   In hoofdstuk 8 (Definities) van het streekplan is een voormalige agrarische bedrijfslocatie omschreven als een agrarisch of niet-agrarisch bouwblok waarop in het verleden een agrarisch bedrijf werd uitgeoefend, waarvan de bedrijfsgebouwen nog geheel of gedeeltelijk bestaan. Een bouwblok is in hoofdstuk 8 van het streekplan omschreven als een in een bestemmingsplan vastgelegde ruimtelijke eenheid, waarbinnen de bebouwing ten behoeve van een bestemming dient te worden geconcentreerd.

2.3.2.    Reeds omdat zich op het perceel geen bouwblok als bedoeld in streekplan bevindt, heeft het college zich, gelet op de omschrijving van een voormalige bedrijfslocatie in hoofdstuk 8 van het streekplan, terecht op het standpunt gesteld dat op het perceel niet mag worden gebouwd.

   Voorts heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat, indien het bedrijf van appellant al zou moeten worden aangemerkt als een bestaand bedrijf, bestaande niet aan het buitengebied gebonden bedrijven, niet zijnde agrarisch-technische hulpbedrijven, en agrarisch verwante bedrijven volgens het in streekplan vermelde beleid een uitbreidingsruimte van maximaal 15% van de ingevolge het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte krijgen en dat dit maximum ruimschoots wordt overschreden.

   Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het streekplan aan realisering van het bouwplan in de weg staat. Het betoog van appellant kan dan ook niet slagen.

2.3.3.    Het betoog van appellant dat het college de gevraagde verklaring van geen bezwaar niet mocht weigeren, omdat deze voor een aantal woningen in de directe omgeving wel is verleend, slaagt reeds niet omdat die door appellant genoemde gevallen niet op één lijn zijn te stellen met het bouwplan van appellant. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat deze woningen blijkens het verhandelde ter zitting van de Afdeling dichter bij de bebouwde kom zijn geprojecteerd dan de opslagloods.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn    w.g. Huijben

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

313-423.