Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3862

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200506123/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2004 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd om aan appellante een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 142
Module Rijbewijzen 2014/501
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506123/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/711 en 05/712 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2004 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd om aan appellante een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B af te geven.

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft het CBR het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2005, verzonden op 2 juni 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 5 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 oktober 2005 heeft het CBR van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. D. Pool, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Jol-de Vries, medewerker juridische zaken bij het CBR, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 111, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) wordt een rijbewijs op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid.

   Ingevolge artikel 111, vierde lid, van de Wvw 1994 worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b.

   Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief afgegeven door het CBR aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

   Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen geeft het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.

   Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   Sedert 14 maart 2004 luidt, voor zover thans van belang, deze bijlage als volgt:

"[…]

Hoofdstuk 10. Geneesmiddelen

10.1. Inleiding

Voor de beoordeling van de geschiktheid is het ook van belang te weten in hoeverre degene die een rijbewijs aanvraagt gebruik maakt van geneesmiddelen die de rijvaardigheid nadelig kunnen beïnvloeden. Uit verschillende onderzoeken en publicaties komt naar voren dat bepaalde geneesmiddelen een nadelige invloed hebben op de rijvaardigheid. Dit geldt met name voor geneesmiddelen die een dempende of stimulerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel.

[…]

10.2.1. Antidepressiva, neuroleptica

Personen die langdurig of zeer regelmatig behandeld worden met een hoge dosering van deze middelen, zijn in het algemeen ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Zie ook paragrafen 8.2, 8.3 en 8.4.

10.2.2. Psychostimulantia

Gebruik van deze middelen maakt iemand ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer.

   Een uitzondering is mogelijk voor zover psychostimulantia gebruikt worden voor de behandeling van ADHD bij volwassenen.

   Is dit het geval, dan dient het onderzoek naar de geschiktheid plaats te vinden door een specialist met kennis en ervaring op het gebied van ADHD bij volwassenen aan de hand van een checklist met risicofactoren (het CBR is in bezit van een dergelijke checklist).

[…]"

2.2.    Appellante komt - kort samengevat - op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het het CBR niet vrijstond om rekening te houden met de individuele omstandigheden van appellante en dat het gehouden was om - nu vaststaat dat appellante het geneesmiddel Ritalin gebruikt voor de behandeling van narcolepsie - de verklaring van geschiktheid te weigeren.

2.3.    De Afdeling stelt voorop, dat de tekst van hoofdstuk 10 van de bijlage bij de Regeling gewijzigd is, zodat de voor die wijziging omtrent dit hoofdstuk gevormde, door appellante ingeroepen, jurisprudentie niet zonder meer richtinggevend is.

2.3.1.    In de inleidende paragraaf 10.1 van het hoofdstuk is een onderscheid gemaakt tussen geneesmiddelen die de rijvaardigheid nadelig kunnen beïnvloeden, maar waarbij de mate waarin deze beïnvloeding plaatsvindt afhankelijk is van individuele omstandigheden, zoals, naar uit het vervolg van hoofdstuk 10 blijkt, de dosering, de fysieke gesteldheid van de betrokkene en de mate waarin de betrokkene is ingesteld op de geneesmiddelen, en geneesmiddelen die als regel een nadelige invloed hebben op de rijvaardigheid, los van individuele omstandigheden zoals hiervoor genoemd. Tot die laatste soort behoren, naar uit deze inleidende paragraaf reeds blijkt, geneesmiddelen die een stimulerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel.

   Dit onderscheid is per geneesmiddel nader uitgewerkt in de paragrafen 10.2 tot en met 10.12 van hoofdstuk 10 van de bijlage. Daarbij is voor de geneesmiddelen, die vallen onder de eerstvermelde categorie, waartoe bijvoorbeeld antidepressiva en neuroleptica behoren, voorzien in ruimte om rekening te houden met individuele omstandigheden als hiervoor vermeld. Met betrekking tot geneesmiddelen van de tweede categorie is in algemene zin bepaald dat deze iemand ongeschikt maken, los van de omstandigheden van het geval, met dien verstande dat daarop een categoriale uitzondering kan zijn gemaakt.

2.3.2.    Anders dan appellante meent, is er derhalve geen sprake van discrepantie tussen paragraaf 10.2.2 en paragraaf 10.1.

   Psychostimulantia zijn geneesmiddelen die een stimulerende of dempende werking hebben op het centrale zenuwstelsel en vallen daarmee onder de categorie geneesmiddelen die volgens paragraaf 10.1 de rijvaardigheid als regel nadelig beïnvloeden. Er is derhalve geen ruimte voor een individuele toets, zoals dat op grond van bijvoorbeeld paragraaf 10.2.1 ten aanzien van antidepressiva en neuroleptica - gelet op de bewoordingen "[…] in het algemeen […]" - wel mogelijk is. Op de regel van paragraaf 10.2.2 is uitsluitend een uitzondering gemaakt voor de categorie gevallen waarin de psychostimulantia worden gebruikt voor de behandeling van ADHD bij volwassenen.

   De Afdeling overweegt voorts dat uit de toelichting op de wijziging van de Regeling (Staatscourant 2004, nr. 50, p. 15), waarbij een uitzondering voor de behandeling van ADHD is opgenomen in paragraaf 10.2.2, blijkt dat met paragraaf 10.2.2 ook voor die wijziging was beoogd een absoluut verbod te stellen op deelname aan het gemotoriseerd verkeer bij gebruik van psychostimulantia en dat de opgenomen uitzondering alleen geldt voor volwassenen die aan ADHD lijden. Uitsluitend in die gevallen kan, indien een nader, individueel onderzoek daartoe aanleiding geeft, alsnog een verklaring van geschiktheid worden afgegeven. Voor andere gevallen blijft voormeld verbod onverkort van kracht.

   Dat een commissie zich inmiddels buigt over het gebruik van psychostimulantia voor de behandeling van narcolepsie en de gevolgen daarvan voor de verkeersveiligheid, maakt dit niet anders, nu immers nog niet duidelijk is wat de uitkomst van dit onderzoek zal zijn en of de Minister een eventueel voor appellante gunstige uitkomst zal overnemen. Het is de taak van de regelgever om te beoordelen of veranderende medische inzichten tot aanpassing van de Regeling moeten leiden.

2.4.    Nu niet in geschil is dat appellante het geneesmiddel Ritalin gebruikt, welk geneesmiddel een psychostimulantium is, en dat zij dit niet doet voor de behandeling van ADHD, heeft de voorzieningenrechter met juistheid geoordeeld dat het CBR geen beslissingsvrijheid toekwam. Het CBR was gehouden de verklaring van geschiktheid te weigeren, ongeacht de individuele medische situatie en de sociale en persoonlijke gevolgen voor appellante. Die gevolgen kunnen derhalve niet tot een ander oordeel leiden.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Matulewicz

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

45-514.