Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200505651/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2004 heeft appellant aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een paardenstal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505651/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Rucphen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/2231 WW44 BA Z van de rechtbank Breda van 31 mei 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2004 heeft appellant aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een paardenstal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 september 2004 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 juli 2005 heeft het [wederpartij] van antwoord gediend.

[vergunninghoudster] en [partij] zijn ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursecht in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door M.W.C. Gijzen, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts zijn als partij gehoord [wederpartij], bijgestaan door J.F. de Leeuw en [vergunninghoudster], bijgestaan door [partij].

2.    Overwegingen

2.1.    Op het perceel geldt de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de nadere aanduiding "achtertuin" van het bestemmingsplan "Bebouwde kom St. Willebrord". Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor "Woondoeleinden (W)" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften, zijn op deze gronden onder meer bijgebouwen toegelaten.

   Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften, mag het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen binnen de zone "achtertuin" maximaal 100 m2 bedragen.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de oppervlakte aan bijgebouwen na de bouw van de paardenstal minder is dan 100 m2. Volgens hem dient een bijgebouw van ongeveer 15,63 m2 (hierna: het oude stalletje), dat zich al op het perceel bevindt, niet te worden meegerekend, omdat dit een vergunningvrij bouwwerk betreft.

2.3.    Het oude stalletje bevindt zich op het achtererf op meer dan 1 meter van de weg of het openbaar groen en bevindt zich op meer dan 1 meter van het naburige erf. De hoogte van het oude stalletje bedraagt 2,97 meter. De totale bruto-oppervlakte van de op het erf aanwezige bouwvergunningvrij gebouwde bijgebouwen en overkappingen bedraagt minder dan 30 m2. Voorts is het achtererf, inclusief de paardenstal waarvoor vergunning is gevraagd, voor minder dan 50% bebouwd.

   Gelet hierop betreft het oude stalletje een vergunningvrij bouwwerk als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 2, onder b, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Ook nadat het onderhavige bouwplan is verwezenlijkt kan het oude stalletje als vergunningvrij bouwwerk worden opgericht.

2.4.    Uit de uitspraak van 10 juli 2002, nr. 200101969/1, waarnaar ook verweerder verwijst, volgt dat de oppervlakte van een bestaand bouwvergunningvrij bouwwerk, dat ter plaatse ook nadat het betrokken bouwplan is verwezenlijkt als vergunningvrij bouwwerk kan worden opgericht, bij de berekening van de totale oppervlakte aan bijgebouwen - noodzakelijk voor de beantwoording van de vraag of na de bouw van een vergunningplichtig bouwwerk de volgens het bestemmingsplan maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen wordt overschreden - niet dient te worden meegeteld. De rechtbank heeft dit miskend.

2.5.    Niet in geschil is dat de totale oppervlakte aan bijgebouwen, inclusief de thans in geding zijnde paardenstal, maar zonder het oude stalletje, minder is dan 100 m2. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het bouwwerk waarvoor vergunning is verleend in zoverre in strijd is met het bestemmingsplan "Bebouwde kom St. Willebrord". Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.6.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep van [wederpartij] behandelen.

2.6.1.    [wederpartij] stelt in beroep dat de paardenstal in strijd is met de bestemming "Woondoeleinden (W)".

   In haar uitspraak van 25 mei 2005, nr. 200408057/1 heeft de Afdeling evenwel geoordeeld dat het gebruik van de onderhavige paardenstal voor het stallen van twee paarden in overeenstemming is met deze bestemming. Gebleken is dat het gebruik van de stal sindsdien niet is gewijzigd. De omstandigheid dat op het perceel tevens een paardenbak is aangelegd, maakt dit niet anders, nu in deze procedure enkel de bouwvergunning voor de paardenstal aan de orde is.

2.6.2.    [wederpartij] stelt in beroep voorts dat hij ernstige overlast ondervindt en dat de waarde van zijn woning daardoor is gedaald. Voorts voldoet de ondergrond van de stal volgens hem niet aan de eisen van de Wet milieubeheer.

   Gelet op het limitatief-imperatief systeem van artikel 44 van de Woningwet kan de bouwvergunning op deze gronden, wat daar ook van zij, niet worden geweigerd.

2.6.3.    Gelet op het vorenstaande is het inleidende beroep van [wederpartij] alsnog ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 mei 2005, no. 04/2231 WW44 BA Z;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Bošnjaković

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

410.