Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3860

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200505542/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) appellant vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het wijzigen van de indeling, de constructie en de entreepartij van een bedrijfsgebouw op het perceel [locatie] te Utrecht (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505542/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 04/1994 van de rechtbank Utrecht

van 13 mei 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) appellant vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het wijzigen van de indeling, de constructie en de entreepartij van een bedrijfsgebouw op het perceel [locatie] te Utrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2005, verzonden op 18 mei 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 1005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken van het college ontvangen. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.J. Bijkerk, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. van Oeveren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Kanaleneiland" rust op het perceel "groenvoorziening A".

   Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de planvoorschriften voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor "groenvoorziening A" aangewezen gronden bestemd voor gazon en beplanting.

2.2.    Bij besluit van 8 december 2000 heeft het college aan appellant, nadat door gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar was afgegeven, vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het bouwen van bedrijfshallen en een kantoor op het perceel.

   Blijkens de bouwtekening zijn de bedrijfshallen en het kantoor van elkaar gescheiden door een muur waarin zich een deur bevindt.

   Het gedeelte van het perceel waarop de bouw van het kantoor is beoogd, is op 15 januari 2003 aan [partij] te Zeist verkocht. De eigendomsoverdracht heeft nog niet plaatsgevonden.

   Met het bouwplan, waaronder het laten vervallen van de deuropening op de begane grond tussen de bedrijfshallen en het kantoor, wordt onder meer beoogd een zelfstandig kantoor voor [partij] mogelijk te maken.

2.3.    Anders dan appellant heeft betoogd is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat appellant er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hem bij het besluit van het college van 8 december 2000 vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor de bouw van een zelfstandig kantoor.

   In dat besluit is vermeld dat vergunning wordt verleend "overeenkomstig de bijbehorende bescheiden". Tot die bescheiden behoren in ieder geval de aanvraag voor een bouwvergunning van 23 oktober 1999 en de (op 24 mei 2000 voor de laatste keer gewijzigde) bouwtekening. Zowel de aanvraag als de bouwtekening maken derhalve deel uit van de inhoud van de bouwvergunning.

   Uit de bouwtekening, waarop een deur in de scheidingsmuur tussen het kantoor en de bedrijfhallen is aangegeven, en de aanvraag, waarin bij onderdeel "gebruik na voltooiing" is ingevuld "kantoor met bedrijfshallen", volgt dat, naast de bouw van bedrijfshallen, de bouw van een onzelfstandig, met de bedrijfshallen verbonden, kantoor is beoogd en vergund.

   Voorts blijkt uit de brief van de architect van appellant van 26 oktober 1999 aan de behandelend inspecteur van de afdeling bouw- en woningtoezicht van de gemeente Utrecht dat het gaat om de bouw van een loods met kantoor.

   De verleende vrijstelling en bouwvergunning zien derhalve op een niet-zelfstandige kantoorruimte.

   Ook overigens zijn er geen aanwijzingen dat appellant destijds met de bouwaanvraag van 23 oktober 1999 een zelfstandig kantoor op het perceel heeft willen realiseren.

   Het beroep van appellant op het vertrouwens-, zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel, omdat het naar zijn mening voor hem niet duidelijk is geweest dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning op een niet-zelfstandige kantoorfunctie zouden zien, faalt dan ook. De rechtbank is ook tot dat oordeel gekomen.

2.4.    Voorts is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te weigeren. Verzoeken om vrijstelling van planvoorschriften van het bestemmingsplan worden getoetst aan het door het college ontwikkelde beleid dat is vastgelegd in het "Programma van wijzigingen ten behoeve van de eerste gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Kanaleneiland". Een van die (beoogde) wijzigingen is de wijziging van de bestemming van het terrein Noordersluis, waar het perceel deel van uit maakt, in "industriebestemming". Realisering van een zelfstandig kantoor op dat perceel is met dat beleid in strijd.

2.5.    Verder is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. In hoger beroep heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt dat dit beginsel geschonden is.

2.6.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college de gevraagde vergunning terecht, overeenkomstig artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, heeft geweigerd. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

202.