Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3855

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200505016/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 23 augustus 2002 heeft de korpschef van de politieregio Hollands Midden (hierna: de korpschef) besloten de aanvraag van appellant voor een verlof tot het voorhanden hebben van een (vuur)wapen van categorie III, zijnde een kogelgeweer, merk Heym, kaliber 9,3 x 62, voorzien van het nummer […], met verzoek tot het bijschrijven op zijn jachtakte, niet in behandeling te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505016/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2739 van de rechtbank

's-Gravenhage van 25 april 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de korpschef van de politieregio Hollands Midden.

1.    Procesverloop

Op 23 augustus 2002 heeft de korpschef van de politieregio Hollands Midden (hierna: de korpschef) besloten de aanvraag van appellant voor een verlof tot het voorhanden hebben van een (vuur)wapen van categorie III, zijnde een kogelgeweer, merk Heym, kaliber 9,3 x 62, voorzien van het nummer […], met verzoek tot het bijschrijven op zijn jachtakte, niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 4 april 2003 heeft de korpschef het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 maart 2004, verzonden op 23 maart 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Bij besluit van 13 mei 2004 heeft de korpschef het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2005, verzonden op 28 april 2005, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 september 2005 heeft de korpschef van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. P.C.H. van Schooten, advocaat te Assen, en de korpschef, vertegenwoordigd door J.A. Oosterveen, regiocoördinator Bijzondere Wetten van de politieregio Hollands Midden, zijn verschenen. Tevens zijn verschenen mr. drs. G.E. Treffers, werkzaam bij de politieregio Hollands Midden en mr. H. van Dijk, werkzaam bij het Ministerie van Justitie.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het eerste lid niet van toepassing op personen die houder zijn van:

a. een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wwm, voor zover dit verlof reikt; of

b. een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw), voor wat betreft voor de jacht en beheer en schadebestrijding bestemde wapens en munitie van categorie III, die in de jachtakte zijn omschreven.

   Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wwm wordt verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel wordt een verlof verleend indien een redelijk belang de verlening van het verlof vordert.

   Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Wwm wordt verlof tot verkrijging van wapens van categorie III verleend aan personen die een verlof tot voorhanden hebben als bedoeld in artikel 28 bezitten, dan wel op grond van artikel 26, tweede lid, voor de jacht bestemde wapens voorhanden mogen hebben, door de korpschef van hun woon- of verblijfplaats.

   Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Wwm, voor zover thans van belang, staat tegen beschikkingen van de korpschef genomen krachtens deze wet administratief beroep open bij de Minister van Justitie (hierna: de minister).

   Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Ffw berust de bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen van jachtakten bij de korpschef van het regionale politiekorps in de regio, waarin de woonplaats van de aanvrager is gelegen, of, indien deze niet woonachtig is in Nederland, bij de korpschef van het politiekorps in de regio Haaglanden.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Jachtbesluit - opgenomen in paragraaf 7 betreffende de jachtmiddelen - heeft een geweer een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van .22 inch of 5,58 millimeter.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 26, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wwm niet van toepassing is op de aanvraag van appellant zodat ingevolge artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwm, dient te worden beoordeeld of een redelijk belang de verlening van het verlof vordert. Volgens appellant geeft de rechtbank aldus blijk van een onjuiste opvatting over de verhouding tussen de Ffw, ingevolge welke hem een jachtakte is toegekend, en de Wwm, die in artikel 26, tweede lid, aanhef en onder b, voor dat geval uitzondering maakt op het verbod van het eerste lid van dat artikel, zodat in zoverre geen verlof, als bedoeld in artikel 28 van de Wwm, is vereist.

2.2.1.    Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verlof tot het voorhanden hebben van een kogelgeweer, kaliber 9,3 x 62, een (vuur)wapen van categorie III. Tussen partijen is niet in geschil dat het kaliber van dit kogelgeweer groter is dan de in artikel 12, eerste lid, van het Jachtbesluit voor jachtmiddelen vermelde grootte.

   Zoals blijkt uit deze bepaling is het geweer vermeld in de aanvraag vanwege de grootte van het kaliber niet toegestaan voor de uitoefening van de jacht. Voorts is niet gebleken dat appellant de bevoegdheid heeft tot beheer en schadebestrijding van zogenoemd groot wild, een bevoegdheid die ingevolge het Besluit beheer en schadebestrijding dieren bijschrijving op de jachtakte van een wapen met een groot kaliber toestaat.

   Hieruit volgt dat het door appellant gewenste verlof tot het voorhanden hebben van het kogelgeweer het bereik van zijn jachtbevoegdheden te buiten gaat en dat artikel 26, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wwm in de onderhavige situatie toepassing mist. De beslissing van de korpschef op de aanvraag van appellant is derhalve terecht gebaseerd op artikel 28 van de Wwm.

   Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Wwm stond tegen deze beslissing van de korpschef administratief beroep open bij de minister. Dit betekent dat de korpschef niet bevoegd was de beslissing op bezwaar te nemen en dat deze beslissing op die grond dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.  

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen wegens strijd met artikel 34, eerste lid, van de Wwm. Het bezwaarschrift zal worden doorgezonden naar de minister ter behandeling als administratief beroepschrift.

2.4.    De korpschef dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 april 2005, AWB 04/2739;

II.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de korpschef van de politieregio Hollands Midden van 13 mei 2004, 22717;

IV.    veroordeelt de korpschef van de politieregio Hollands Midden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: duizend tweehonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de politieregio Hollands Midden aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de politieregio Hollands Midden aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 343,00 (zegge: driehonderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Van der Smissen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

204-419.