Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200505952/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Kappa Oudenbosch Golfkarton B.V." een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een golfkartonfabriek, gelegen op het perceel Industrieweg 10 te Oudenbosch. Dit besluit is op 2 juni 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505952/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Halderberge,

en

het college van burgemeester en wethouders van Halderberge,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Kappa Oudenbosch Golfkarton B.V." een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een golfkartonfabriek, gelegen op het perceel Industrieweg 10 te Oudenbosch. Dit besluit is op 2 juni 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 7 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2006, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.A. Keij, ambtenaar van de gemeente, en ing. G. van Dooren, werkzaam bij de Regionale Milieudienst Westelijk Noord-Brabant, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellant heeft de grond inzake fijn stof niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Appellant betoogt dat hij eerst op 16 juni 2005 door middel van toezending van het bestreden besluit een reactie heeft gekregen op de door hem tegen het ontwerpbesluit ingebrachte bedenkingen.

   Voor zover verweerder hiermee in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:44, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, overweegt de Afdeling dat het daarbij gaat om een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Een dergelijke onregelmatigheid kan geen grond voor vernietiging van dat besluit zijn, aangezien deze niet als het ware met terugwerkende kracht de rechtmatigheid van dat besluit kan aantasten.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5.    Appellant stelt dat sprake is van onaanvaardbare geluidhinder. In dat verband wijst hij onder meer op de hinder veroorzaakt door verkeersbewegingen met vrachtwagens op het terrein van de inrichting, met name tijdens de nachtperiode.

2.5.1.    Ingevolge voorschrift I.60 van de vergunning, voor zover hier van belang, mag het maximale geluidniveau ten gevolge van verkeersbewegingen met vrachtwagens binnen de inrichting ter plaatse van de woning [locatie a] in de avond- en nachtperiode niet meer bedragen dan 71 dB(A).

2.5.2.    Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder voor de beoordeling van het aspect geluid de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

   Paragraaf 3.2 van de Handreiking bevat de aanbeveling maximale geluidniveaus te bepalen op 10 dB(A) boven de voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vastgestelde grenswaarden, doch op niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De Handreiking biedt de mogelijkheid om in gevallen waarin niet aan deze grenswaarden kan worden voldaan in een onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken, de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode en de grenswaarde van 60 dB(A) voor de nachtperiode met 5 dB(A) te overschrijden. Deze uitzonderlijke bedrijfssituaties dienen in de vergunning te worden aangegeven. Voor de avondperiode is volgens paragraaf 3.2 geen ontheffing van de grenswaarde van 65 dB(A) mogelijk.

2.5.3.    De onderhavige inrichting is gelegen op een niet gezoneerd industrieterrein. Vaststaat dat het maatgevende maximale geluidniveau wordt veroorzaakt door verkeersbewegingen met vrachtwagens binnen de inrichting gedurende de avond- en nachtperiode. Uit het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport van 31 maart 2004, kenmerk H.98.108.01 (hierna: het akoestisch rapport), dat blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de verleende vergunning, blijkt dat de bedrijfstijden van de inrichting ten opzichte van de eerder vergunde situatie worden uitgebreid van vrijdagavond 22.00 uur tot zaterdagochtend 06.00 uur en met een 3-ploegendienst in plaats van een 2-ploegendienst. Verder blijkt uit het akoestisch rapport dat het wat de verkeersbewegingen met vrachtwagens betreft gaat om een uitbreiding zowel in de avond- als in de nachtperiode. In de nachtperiode gaat het in de thans vergunde situatie om het tussen 04.00 en 07.00 uur vertrekken van 8 vrachtwagens. De bepalende woning voor de immissie van het maximale geluidniveau veroorzaakt door de vrachtwagens in zowel de avond- als de nachtperiode is [locatie a]. Deze immissie kan - zo blijkt uit het akoestisch rapport en het verhandelde ter zitting - voor de woning [locatie b] voldoende worden beperkt door het aanbrengen van een geluidscherm, dat in de vergunning is voorzien.

   De Afdeling stelt vast dat de door verweerder in voorschrift I.60 ten aanzien van de woning [locatie a] toegestane verhogingen van de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau voor de avond- en nachtperiode op grond van paragraaf 3.2 van de Handreiking niet mogelijk zijn. Nu het ten aanzien van de vergunde vrachtwagenbewegingen in de avond- en nachtperiode niet gaat om incidentele activiteiten, is daarop de in paragraaf 5.3 van de Handreiking genoemde 12 dagen-regeling niet van toepassing. Door verweerder is onvoldoende gemotiveerd waarom op dit punt van de Handreiking is afgeweken.

   Voor zover verweerder voor het vergunnen van de verkeersbewegingen met vrachtwagens in de avond- en nachtperiode een beroep doet op de voor de inrichting op grond van de eerder verleende vergunning van 25 februari 1992 bestaande rechten, overweegt de Afdeling het volgende. Hoewel in het akoestisch rapport een beschrijving is gegeven van de (feitelijk) bestaande representatieve bedrijfssituatie, waarbij wordt uitgegaan van verkeersbewegingen met vrachtwagens in de avondperiode en het tussen 04.00 en 07.00 uur vertrekken van 7 vrachtwagens, valt uit de vergunning van 25 februari 1992 noch uit de daarbij behorende aanvraag en het rapport van een akoestisch onderzoek af te leiden dat die verkeersbewegingen en de daarmee gepaard gaande geluidbelasting daadwerkelijk zijn vergund. Mede in het licht van het bepaalde in voorschrift C.2.2 verbonden aan genoemde vergunning, dat tussen 22.00 en 06.00 uur geen verkeersbewegingen op het terrein behorende tot de inrichting mogen plaatsvinden, en nu niet is gebleken dat op grond van het bepaalde in voorschrift C.2.5 van die vergunning van dit verbod mocht worden afgeweken, is de Afdeling van oordeel dat voor verkeersbewegingen met vrachtwagens voor de periode tussen 22.00 en 06.00 uur geen beroep kan worden gedaan op bestaande rechten. Daarbij neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat verweerder in een faxbericht van 30 januari 2006 heeft erkend dat de vrachtwagenbewegingen in de onderliggende vergunning niet zijn meegenomen.

2.5.4.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wat de vergunde verkeersbewegingen met vrachtwagens in de avond- en nachtperiode en het daarbij in voorschrift I.60 toegestane maximale geluidniveau betreft in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering.

2.6.    Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond. Aangezien het geluidaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de grond inzake fijn stof betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Halderberge van 10 mei 2005, kenmerk HA1V018;

IV.    gelast dat de gemeente Halderberge aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

159-462.