Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV3845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
200506034/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2005 heeft verweerder aan appellant een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gedeeltelijk geweigerd en gedeeltelijk verleend voor een varkenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Someren, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 9 juni 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506034/1.

Datum uitspraak: 8 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2005 heeft verweerder aan appellant een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gedeeltelijk geweigerd en gedeeltelijk verleend voor een varkenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Someren, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 9 juni 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2005.

Bij brief van 25 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan verweerder toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2006, waar appellant, bijgestaan door mr. W.A. Braams, advocaat te Helmond, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde vóór 1 juli 2005, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld, vindt de grond inzake toepassing van paragraaf 8 van de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) wel zijn grondslag in de bedenkingen, waarin immers is aangevoerd dat de eerder bestaande bedrijfsvoering, ook wat betreft het stankaspect, voor legalisatie in aanmerking komt. Het beroep is daarom ontvankelijk.

2.3.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd voor het houden van 14 opfokzeugen en 70 vleesvarkens, aangezien vergunningverlening volgens hem zou leiden tot onaanvaardbare stankhinder en onaanvaardbare ammoniakemissie. Ten aanzien van het bij het bestreden besluit wel vergunde veebestand heeft verweerder overwogen dat sprake is van bestaande rechten.

2.4.    Appellant heeft betoogd dat de gevraagde vergunning ten onrechte vanuit een oogpunt van stankhinder gedeeltelijk is geweigerd. Hiertoe voert hij aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan paragraaf 8 van de brochure.

2.4.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd, voor zover het de omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de minimaal aan te houden afstanden betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure gehanteerd. Bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken cumulatieve stankhinder heeft verweerder het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij" (Publicatiereeks Lucht 46; hierna: het rapport) als uitgangspunt genomen.

2.4.2.    Niet in geschil is dat wat betreft de enkelvoudige stankhinder niet wordt voldaan aan de afstandseisen uit de Richtlijn en wat betreft de cumulatieve stankhinder niet aan de toetsingscriteria uit het rapport, zodat zich een uit oogpunt van stankhinder overbelaste situatie voordoet. Evenmin is in geschil dat appellant op dit punt niet over voldoende bestaande rechten beschikt om het verlenen van de gevraagde vergunning in zijn geheel te kunnen rechtvaardigen.

   Paragraaf 8 van de brochure geeft een regeling voor terughoudende toepassing van de brochure voor bedrijven van vóór 1972 die daarna niet aanmerkelijk zijn uitgebreid. In deze paragraaf is verder vermeld dat bedrijven die zijn gevestigd of aanmerkelijk zijn uitgebreid tussen 1972 en 1976 onder voorwaarden in aanmerking komen voor terughoudende toepassing.

   Voor de inrichting is bij besluit van 29 november 1971 krachtens de Hinderwet een vergunning verleend voor het houden van 10.000 legkippen. Vervolgens is bij besluit van 22 september 1981 voor de inrichting krachtens de Hinderwet een revisievergunning verleend voor het houden van 115 fokzeugen en 570 mestvarkens. Appellant gaat ervan uit dat met inachtneming van de brochure ook na verlening van een revisievergunning in 1981 een soepel vergunningenbeleid zou dienen te worden toegepast ten aanzien van een bedrijf dat vóór 1972 is opgericht. De in paragraaf 8 van de brochure gegeven mogelijkheid om de brochure terughoudend toe te passen betreft echter een overgangsregeling die naar haar strekking restrictief moet worden uitgelegd. Dit heeft tot gevolg dat toepassing daarvan uitsluitend aan de orde kan zijn bij de eerste vergunningverlening voor een bedrijf dat voldoet aan de criteria van paragraaf 8 van de brochure. Nu voor de inrichting in 1981 een revisievergunning is verleend, is, gelet op het vorenstaande, ten aanzien van de onderhavige aangevraagde uitbreiding van de inrichting toepassing van paragraaf 8 van de brochure en de daaruit voortvloeiende terughoudende toepassing van de afstandsnormen niet meer mogelijk.    

2.4.3.    Voor zover appellant heeft aangevoerd dat verweerder door het stellen van voorschriften had kunnen bewerkstelligen dat de stankhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is geworden dat dit anders dan door het voorschrijven van een emissiearm stalsysteem gerealiseerd zou kunnen worden. Het voorschrijven van een dergelijk stalsysteem is echter dermate ingrijpend, mede gelet op de hiermee gemoeide financiële investeringen, dat daarmee de grondslag van de aanvraag, waarin is uitgegaan van een traditioneel stalsysteem, zou worden verlaten. Dit zou in strijd zijn met het stelsel van de Wet milieubeheer.    

2.4.4.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de gevraagde vergunning reeds gezien de uit oogpunt van stankhinder overbelaste situatie terecht gedeeltelijk geweigerd.

2.5.    Het beroep is ongegrond. De overige gronden behoeven geen bespreking.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006

159-462.