Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV2958

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2006
Datum publicatie
01-03-2006
Zaaknummer
200504340/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2005, kenmerk 301070, heeft verweerder aan Gemeentewerken Rotterdam (hierna: vergunninghouder) een vergunning verleend, als bedoeld in artikel 8.1, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting, gelegen aan de Achterhaven 148, gemeente Rotterdam, voor het saneren van de bodem en het tijdelijk op- en overslaan van verontreinigde grond naar een binnenvaartschip. Dit besluit is op 8 april 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504340/1.

Datum uitspraak: 1 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2005, kenmerk 301070, heeft verweerder aan Gemeentewerken Rotterdam (hierna: vergunninghouder) een vergunning verleend, als bedoeld in artikel 8.1, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting, gelegen aan de Achterhaven 148, gemeente Rotterdam, voor het saneren van de bodem en het tijdelijk op- en overslaan van verontreinigde grond naar een binnenvaartschip. Dit besluit is op 8 april 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 18 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2005.

Bij brief van 18 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door E.A.M. Schouw, ir. J.W.T. Voerman, A. Korpel en drs. N. de Jong, allen werkzaam bij DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Appellanten hebben hun beroep, voor zover dat betrekking heeft op de afscherming van het terrein voor onbevoegden, ter zitting ingetrokken.

2.3.    Appellanten betogen dat, gelet op de omvang van de inrichting, niet verweerder, maar het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bevoegd is de aanvraag in behandeling te nemen.

2.3.1.    Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede lid.

   Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd zijn op de aanvraag om een vergunning te beslissen.

   Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

2.3.2.    De Afdeling stelt vast dat de onderhavige inrichting bestemd is voor het op- en overslaan van grond en aldus een inrichting is als bedoeld in categorie 11.1, aanhef en onder i, van bijlage I, behorende bij het Ivb. Niet is gebleken dat de inrichting zodanig is dat deze is te scharen onder één van de in categorie 11 aangewezen soorten van inrichtingen dan wel andere in het Ivb aangewezen categorieën waarvoor het college van gedeputeerde staten is aangemerkt als het bevoegd gezag. De Afdeling stelt dan ook vast dat ingevolge de Wet milieubeheer het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, waarin de inrichting is gelegen, bevoegd is om op de aanvraag te beslissen. Nu deze bevoegdheid gelet op artikel 44, in samenhang gelezen met bijlage 1, onder 007.02, van de Deelverordening 2002 is overgedragen aan het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven, was verweerder bevoegd op onderhavige aanvraag te beslissen. De beroepsgrond faalt.

2.4.    Voor zover appellanten betogen dat ten onrechte voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit vrijwel geen overleg met de omwonenden heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling dat verweerder het besluit met toepassing van afdeling 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht heeft voorbereid en overeenkomstig de daarin opgenomen bepalingen een ieder in de gelegenheid heeft gesteld mondeling dan wel schriftelijk bedenkingen in te dienen. Voor verweerder bestond geen verplichting de omwonenden anderszins bij de besluitvorming te betrekken, zodat hetgeen appellanten hierover hebben aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het besluit wat dat betreft in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen.

2.5.    Appellanten voeren voorts aan dat de verlening van onderhavige vergunning ten onrechte niet is gecoördineerd met de ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren noodzakelijke vergunning.

2.5.1.    De Afdeling stelt op basis van de stukken vast dat ten tijde van het bestreden besluit vergunninghouder geen aanvraag om verlening van een vergunning op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bij de waterkwaliteitsbeheerder had ingediend. Voor verweerder bestond geen verplichting met de besluitvorming over onderhavige aanvraag te wachten totdat een aanvraag om verlening van een zodanige vergunning was ingediend. Van het niet nakomen van een verplichting tot coördinatie is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

2.6.    Appellanten voeren voorts aan dat onvoldoende duidelijk is wat de grenzen van de inrichting zijn, hoeveel grond wordt op- en overgeslagen en wat de samenstelling van de verontreinigde grond is.

2.6.1.    De Afdeling stelt vast dat bij de aanvraag een plattegrond is gevoegd, waarop door middel van een markering de grens van de inrichting is aangegeven. Voorts is in de aanvraag beschreven welke hoeveelheden grond worden afgegraven en vervolgens per as dan wel per schip worden afgevoerd. Tevens is bij de aanvraag een saneringsplan gevoegd, waaruit kan worden opgemaakt welke stoffen zich in de af te graven grond bevinden. Dat dit saneringsplan volgens appellanten inmiddels is ingetrokken, is voor de beoordeling van het bestreden besluit niet van belang, nu verweerder op basis van de bij de aanvraag gevoegde gegevens diende te beslissen en de vergunning op die gegevens betrekking heeft. Indien de gegevens wijzigen is het aan vergunninghouder deze wijziging te melden dan wel in verband met deze wijziging een nieuwe aanvraag in te dienen.

   De beroepsgrond slaagt niet.

2.7.    Appellanten klagen tevens dat ten onrechte geen rekening is gehouden met activiteiten van de bouwputbemaling.

2.7.1.    De Afdeling stelt vast dat een vergunning is aangevraagd voor de sanering van de bodem en het op- en overslaan van verontreinigde grond. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bouwputbemaling geen onderdeel vormt van de bij de op- en overslag van verontreinigde grond behorende activiteiten. Verweerder heeft de bouwputbemaling dan ook terecht niet bij de beoordeling van de aanvraag betrokken.

2.8.    Appellanten betogen dat ten onrechte niet uit het bestreden besluit blijkt welke aan- en afvoerroutes de vrachtwagens dienen te volgen. Volgens hen is het daardoor niet uitgesloten dat vrachtwagens langs hun naast de inrichting gelegen woningen zullen rijden, zodat zij hinder vanwege die vrachtwagenbewegingen zullen ondervinden. Met deze hinder is in het besluit ten onrechte geen rekening gehouden.

2.8.1.    Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat de vrachtwagens de inrichting langs zowel de noordzijde als de zuidzijde kunnen verlaten. Verweerder vermoedt dat de vrachtwagens via de zuidzijde de inrichting zullen verlaten dan wel binnen komen rijden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder onvoldoende inzicht verkregen in de aan- en afvoerroutes. Nu de aan- en afvoerroutes van de vrachtwagens niet duidelijk zijn, is evenmin duidelijk dat omwonenden in de directe nabijheid van de inrichting geen onaanvaardbare hinder zullen ondervinden vanwege de vrachtwagenbewegingen. Aldus is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid, hetgeen zich niet verdraagt met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond slaagt.

2.9.    Appellanten betogen dat onduidelijk is of verweerder alle relevante geluidbronnen bij de beoordeling van het aspect geluid heeft betrokken. Voorts heeft verweerder volgens hen ten onrechte een maximaal geluidniveau van 75 dB(A) toegestaan.

2.9.1.    Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij de akoestische belasting vanwege de inrichting op basis van eigen berekeningen in kaart heeft gebracht. Uit dit onderzoek blijkt volgens verweerder dat de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) opgenomen grenswaarde voor het piekgeluid in de dagperiode vanwege graafwerkzaamheden wordt overschreden. Nu geluidreducerende maatregelen niet mogelijk zijn, heeft verweerder gebruik gemaakt van de in de Handreiking opgenomen afwijkingsmogelijkheid tot 75 dB(A). Voorts betoogt verweerder dat het akoestisch onderzoek is gebaseerd op de in de aanvraag genoemde gegevens en dat alle maatgevende geluidsbronnen daarbij zijn betrokken.

2.9.2.    De Afdeling stelt vast dat verweerder van de eigen berekeningen geen resultaten heeft overgelegd. Evenmin is duidelijk geworden op basis van welke gegevens deze berekeningen zijn opgesteld. Aldus kan niet worden vastgesteld of alle relevante geluidsbronnen bij de beoordeling van het aspect geluid zijn betrokken en evenmin of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een hogere dan de in de Handreiking opgenomen waarde voor het piekgeluid noodzakelijk is.

   Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken dat verweerder het aspect geluid op zorgvuldige wijze heeft beoordeeld en de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden heeft vergaard, zoals artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht eist. De beroepsgrond slaagt.

2.10.    Het beroep is gegrond. Aangezien het bestreden besluit niet in stand kan blijven met betrekking tot aspecten die bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of de vergunning zoals deze is aangevraagd kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De overige gronden behoeven geen bespreking.

2.11.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven van 15 maart 2005, kenmerk 301070;

III.    veroordeelt het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de deelgemeente Delfshaven aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de deelgemeente Delfshaven aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Stolker

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006

157-428.