Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV2947

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2006
Datum publicatie
01-03-2006
Zaaknummer
200505464/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning als burgerwoning van de dienstwoning aan de [locatie] te [plaats] te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505464/1.

Datum uitspraak: 1 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Warmond, thans

het college van burgemeester en wethouders van Teylingen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1340 van de

rechtbank 's-Gravenhage van 18 mei 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning als burgerwoning van de dienstwoning aan de [locatie] te [plaats] te staken.

Bij besluit van 12 februari 2004  heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 mei 2005, verzonden op 20 mei 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het besluit van het college van 6 augustus 2003 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 23 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 september 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Bos, werkzaam bij de gemeente Teylingen en G. van der Meer, wethouder, en [wederpartij] met zijn [echtgenote] in persoon en bijgestaan door mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter plaatse van de woning van [wederpartij] geldt het bestemmingsplan "Buitengebied". Aan de gronden waarop deze woning is gesitueerd, is blijkens de bestemmingsplankaart de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden (vR) en de subbestemming vRk: een kampeerterrein" gegeven.

   In artikel 11, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften is bepaald dat op deze gronden ten dienste van de bestemming uitsluitend mogen worden gebouwd ter plaatse van de subbestemming vRk binnen het bouwvlak gebouwen ten dienste van het onderhoud en beheer en per kampeerterrein ten hoogste één dienstwoning met bijgebouwen.

   Ingevolge artikel 44 van de planvoorschriften is het verboden bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de betrokken grond gegeven bestemming.

2.2.    De woning betreft een dienstwoning ten behoeve van het kampeerterrein De Hoflee 1. Vaststaat dat [wederpartij] geen beheerderswerkzaamheden voor het recreatiepark verricht.

2.3.    De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat het college bevoegd was tot handhavend optreden, nu [wederpartij] de dienstwoning in strijd met het bestemmingsplan als burgerwoning in gebruik heeft genomen.

2.4.    Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat slechts onder bijzondere omstandigheden van het bestuursorgaan mag worden gevergd van de bevoegdheid om handhavend op te treden geen gebruik te maken, hetgeen zich kan voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat en in het geval dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    De rechtbank is vervolgens tot het oordeel gekomen dat er weliswaar geen uitzicht op legalisatie bestaat, doch dat het opleggen van een dwangsom in dit geval niet redelijk is, omdat het college geen uitsluitsel heeft kunnen geven over het tijdstip waarop tegen permanente bewoning van zomerwoningen op het kampeerterrein zal worden opgetreden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat naar haar oordeel permanente bewoning van zomerwoningen die bestemd zijn voor recreatieve doeleinden over het algemeen wordt aangemerkt als een zwaardere en ingrijpendere inbreuk op het planologisch regime dan privé-bewoning van gronden die bestemd zijn voor een dienstwoning.

2.6.    Het betoog van het college dat dit oordeel van de rechtbank niet juist is, treft doel.

   Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ter zake van de permanente bewoning van zomerwoningen op het kampeerterrein geen gedoogbeleid wordt gevoerd. Het college heeft op 21 oktober 2003 een kampeervergunning verleend aan de voorzitter van de Vereniging van Eigenaren van het kampeerterrein De Hoflee. Met deze vergunning heeft het college een eerste aanzet willen geven om de met het bestemmingsplan strijdige situatie op het kampeerterrein te beëindigen. In de bij de vergunning behorende bijlage 2 worden de te nemen maatregelen aangegeven alsook de termijnen waarbinnen deze dienen te zijn uitgevoerd. Uit die bijlage volgt dat een beheerder van het kampeerterrein dient te worden aangesteld en dat de permanente bewoning op het kampeerterrein vóór 1 januari 2008 moet zijn beëindigd. Het college achtte een kortere termijn niet reëel, nu het kampeerterrein is verdeeld in kavels die aan verschillende eigenaren toebehoren. Ter zitting heeft het college verklaard dat handhavend tegen de gebruikers van het kampeerterrein zal worden opgetreden, indien niet aan de voorwaarden van de kampeervergunning wordt voldaan. In dat verband heeft het college gewezen op de door het college van de voormalige gemeente Warmond vastgestelde handhavingsnota, die onderdeel gaat uitmaken van het handhavingsbeleid van de inmiddels totstandgekomen gemeente Teylingen en dat het handhavingsbeleid ook voor de overige 14 kampeerterreinen binnen de gemeente onverkort geldt.

   Voorts is alleszins aannemelijk dat voor het kampeerterrein, gelet op de omvang daarvan, een dienstwoning voor een beheerder ter plaatse noodzakelijk, althans gewenst, is. Het gaat om een kampeerterrein, waarop maximaal 110 tenten, tentwagens, kampeerauto's en caravans (toer- en stacaravans) op vaste standplaatsen mogen staan en maximaal 440 personen tegelijkertijd voor recreatief nachtverblijf mogen worden toegelaten.

   Gelet op het vorenstaande zal de door het college beoogde handhaving van de planvoorschriften voor het kampeerterrein bemoeilijkt,

zo niet onmogelijk, worden, indien de dienstwoning als burgerwoning wordt gebruikt en niet meer ten dienste van het kampeerterrein staat.

   De rechtbank heeft dat miskend.

2.7.    Voorts is niet gebleken dat van de zijde van de gemeente aan [wederpartij] toezeggingen zijn gedaan, waaraan deze het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat de dienstwoning als burgerwoning mocht worden gebruikt. Kort voordat [wederpartij] tot aankoop van de woning is overgegaan heeft het college hem bij brief van 5 april 2002 nog laten weten, dat aan zijn plannen voor de woning geen medewerking zal worden verleend en dat de woning als dienstwoning bij het kampeerterrein De Hoflee hoort.

2.8.    Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving afgezien had moeten worden.

2.9.    De slotsom moet zijn dat er geen grond is voor het oordeel dat het college niet tot handhavend optreden mocht besluiten.

2.10.    De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar van 12 februari 2004 dan ook ten onrechte wegens strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.

2.11.    Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.12.    De Afdeling zal voorts doen wat de rechtbank zou behoren te doen en het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 12 februari 2004 alsnog ongegrond verklaren.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 mei 2005, AWB 04/1340;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006

202.