Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV1811

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2006
Datum publicatie
15-02-2006
Zaaknummer
200505994/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2004 heeft de burgemeester van Stadskanaal (hierna: de burgemeester) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang gelast de inrichting op het perceel [locatie] in Stadskanaal onder de naam Black Ball en Happy - Internet (lees: Happy Surfer I), gedurende de periode van één jaar te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2006/1096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505994/1.

Datum uitspraak: 15 februari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Stadskanaal,

tegen de uitspraak in de zaak met nummers AWB 05/504 en 05/505 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 27 mei 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Stadskanaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2004 heeft de burgemeester van Stadskanaal (hierna: de burgemeester) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang gelast de inrichting op het perceel [locatie] in Stadskanaal onder de naam Black Ball en Happy - Internet (lees: Happy Surfer I), gedurende de periode van één jaar te sluiten.

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft de burgemeester het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2004 gegrond verklaard, het besluit herroepen en een nieuw besluit van dezelfde strekking - maar met aangevulde en verbeterde motivering - genomen.

Bij uitspraak van 27 mei 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 juli 2005, per fax bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 september 2005 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. K.B. Spoelstra, advocaat te Groningen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. D.S.W. van 't Ende en W.T. Kluitenberg, beiden werkzaam bij de gemeente Stadskanaal, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 13b van de Opiumwet (hierna: Ow) is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II van de Ow wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.1.1.    De gemeente Stadskanaal heeft een coffeeshopbeleid vastgesteld. In het kader van dat beleid heeft de burgemeester het "Stappenplan handhaving gemeentelijk coffeeshopbeleid Stadskanaal" vastgesteld, dat na wijziging laatstelijk op 14 juli 2004 is bekendgemaakt. Dit stappenplan behelst zowel strafrechtelijke als bestuursrechtelijke maatregelen die worden genomen na constatering van bepaalde feiten. Voor de verkoop, aflevering, verstrekking, dan wel het (daartoe) aanwezig hebben van softdrugs gelden drie bestuursrechtelijke stappen, te weten: (1) een schriftelijke waarschuwing bij de eerste overtreding, (2) sluiting van de inrichting gedurende maximaal zes maanden bij de tweede overtreding die binnen een jaar na de eerste is geconstateerd en (3) bij de derde overtreding: sluiting van de inrichting gedurende één jaar.

2.2.    Appellant is opgekomen tegen de overwegingen van de voorzieningenrechter dat de burgemeester bevoegd was tot het toepassen van bestuursdwang en dat "Happy Surfer I" en "Blackball" één inrichting vormen. Ook heeft appellant betoogd dat het beleid van de burgemeester onredelijk is en dat de door de burgemeester getroffen maatregelen in dit geval disproportioneel zijn.

2.2.1.    De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de aangetroffen drugs in Happy Surfer I daar voor de verkoop aanwezig waren. Op verschillende plaatsen, namelijk in een colbertjasje in de publieksruimte van Happy Surfer I, alsmede in een jas en op een dienblad in een niet-afgesloten bijruimte, zijn hoeveelheden drugs gevonden die in afzonderlijke gebruikershoeveelheden waren verpakt. De totale hoeveelheid aangetroffen drugs overschrijdt de toegestane gebruikershoeveelheid - het Openbaar Ministerie hanteert daarvoor een hoeveelheid van 5 gram - in ruime mate. Verder hebben verschillende personen - onder wie een persoon die tijdens de controle werd aangetroffen - verklaard hun drugs in Happy Surfer I te kopen.

   Appellant heeft daartegenover zijn stelling, dat de aangetroffen drugs slechts voor eigen gebruik door zijn broer bestemd waren, niet aannemelijk gemaakt.

   Gezien het vorenoverwogene was de burgemeester bevoegd bestuursdwang als bedoeld in artikel 13b van de Ow toe te passen.

2.2.2.    De Afdeling staat vervolgens voor de vraag of de bevoegdheid van de burgemeester om in Happy Surfer I bestuursdwang toe te passen, ook kan worden aangenomen waar het Black Ball betreft.

   De Afdeling onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat beide ruimten dusdanig met elkaar verbonden zijn, dat zij moeten worden beschouwd als één lokaal in de zin van artikel 13b van de Ow. Daartoe acht de Afdeling, evenals de voorzieningenrechter, van belang dat de ruimten met elkaar zijn verbonden via twee gewoonlijk niet afgesloten deuren, te weten een nooddeur in het bezoekersdeel en een gewone deur achter de bar, welke laatste weliswaar bestemd is voor het personeel, doch waarvan ook klanten gebruik kunnen maken. De stelling van appellant dat de nooddeur alleen in het geval van nood door bezoekers mag worden gebruikt, doet hier niet aan af.

2.2.3.    Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het beleid van de burgemeester niet onredelijk is, slaagt evenmin. Er is geen grond voor het oordeel dat de middelen die worden aangewend niet in verhouding staan tot de ermee te dienen doelen. Dat er, zoals appellant heeft gesteld, geen directe relatie bestaat tussen de hoeveelheid aangetroffen softdrugs en de duur van de sluiting, wordt gerechtvaardigd door het doel van het beleid om iedere handel in drugs die plaatsvindt buiten het in de gemeente als zodanig aangewezen gedoogde verkooppunt tegen te gaan.

2.2.4.    Ten slotte is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die voor de burgemeester aanleiding hadden moeten zijn om van zijn beleid af te wijken. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen is het enkele verlies aan omzet geen bijzondere omstandigheid. De beperkte hoeveelheid aangetroffen softdrugs en het feit dat slechts in Happy Surfer I drugs zijn aangetroffen, zijn dat evenmin. Ook de omstandigheid dat de aan de sluiting voorafgaande waarschuwingen en maatregelen niet appellant, maar de vorige exploitant van de inrichting troffen, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. Het beleid van de burgemeester is gerelateerd aan de inrichting en niet aan de drijver van die inrichting. Bovendien heeft de burgemeester zijn beleid expliciet aan appellant kenbaar gemaakt toen deze zijn onderneming startte en heeft hij appellant er bij die gelegenheid ook op gewezen dat al eerder een sluiting van de inrichting was gelast. Appellant heeft hieruit kunnen en moeten begrijpen dat hij niet eerst zou worden gewaarschuwd, indien er opnieuw een overtreding zou worden geconstateerd.

2.3.    Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2006

148-514.