Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV1252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2006
Datum publicatie
08-02-2006
Zaaknummer
200504067/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2005:AT2908
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2004 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij A], onder oplegging van een last onder dwangsom, gelast de ashoogte van een windturbine, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], binnen een daartoe gegeven termijn aan te passen aan de vergunde ashoogte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 41K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504067/1.

Datum uitspraak: 8 februari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. 04/1472 en 04/1473 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 2 februari 2005 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2004 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij A], onder oplegging van een last onder dwangsom, gelast de ashoogte van een windturbine, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], binnen een daartoe gegeven termijn aan te passen aan de vergunde ashoogte.

Bij besluit van 3 november 2004 heeft het college het daartegen door [wederpartij A] en [wederpartij B] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2005, verzonden op 30 maart 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij A] en [wederpartij B] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 4 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 juni 2005 hebben [partijen] en de vereniging Doarpsmienskip Boazum (hierna: [partijen] onderscheidenlijk de Vereniging) een reactie ingediend.

Bij brief van 6 juli 2005 hebben [wederpartij A] en [wederpartij B] een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2005, waar het college, vertegenwoordigd door S. Mollema-de Jong, ambtenaar der gemeente, en [wederpartij A] en [wederpartij B] in persoon, vertegenwoordigd door ing. I.T.G.M. Martens, werkzaam bij Lichtveld Buis & Partners B.V., zijn verschenen. Voorts zijn [partijen] en de Vereniging, vertegenwoordigd door mr. H.W. Knottenbelt, gemachtigde, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, en artikel 6:4, eerste lid, van deze wet, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, kan de Afdeling tot sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2. Blijkens de stukken en het ter zitting verhandelde zijn [wederpartij A] en [wederpartij B] mede-eigenaren van de windturbine en exploiteren zij deze gezamenlijk.

Geoordeeld wordt dat het belang van [wederpartij B] niet rechtstreeks is betrokken bij het dwangsombesluit, nu dit besluit niet aan hem is gericht en hij niet degene is die dwangsommen verbeurt. [wederpartij B] kan dan ook niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat hij geen bezwaar kon maken. Gelet hierop had het college [wederpartij B] in zijn bezwaar niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2.3. Ten aanzien van de Vereniging wordt als volgt overwogen. Niet gebleken is dat de Vereniging een aan statutaire doelstellingen ontleend collectief belang heeft, dat door het besluit van 9 juli 2004, gehandhaafd bij besluit van 3 november 2004, direct wordt of dreigt te worden aangetast. Niet voldaan wordt dan ook aan het bepaalde in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Nu ook overigens niet is gebleken dat sprake is van een bij de Vereniging bestaand, rechtstreeks betrokken belang, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, kan de Vereniging niet als belanghebbende worden aangemerkt.

2.4. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.5. In hoger beroep is niet bestreden dat door het college aan [wederpartij A] bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een windturbine met een ashoogte van 40 meter en dat in afwijking van de verleende bouwvergunning een windturbine met een ashoogte van ongeveer 45,6 meter is gerealiseerd. Daarmee is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college, gelet op de door het college gegeven motivering, zich niet op het standpunt mocht stellen dat handhavend optreden niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Dit betoog slaagt. Anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van onevenredigheid tussen de met het handhaven van wettelijke regelingen te dienen belangen en de financiële gevolgen daarvan voor [wederpartij A]. Het heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat het windturbines met een hoogte van 45 meter uit planologisch oogpunt niet aanvaardbaar acht. Voorts heeft het terecht in aanmerking genomen dat het overschrijden met ruim 5 meter van de vergunde bouwhoogte niet als een geringe afwijking van de bouwvergunning kan worden aangemerkt, temeer daar op grond van het bestemmingsplan als maximum een ashoogte van 35 meter is toegestaan en uitsluitend onder verlening van vrijstelling een ashoogte van 40 meter. Tenslotte is terecht in aanmerking genomen dat om handhavend optreden is verzocht.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep van [wederpartij A], gericht tegen de door hem gestelde onevenredigheid, gegrond is verklaard en het college is veroordeeld in de kosten die door [wederpartij A] zijn gemaakt voor het instellen van beroep. De gegrondverklaring van het beroep van [wederpartij B] kan, anders dan wegens de ook door [wederpartij B] gestelde onevenredigheid, in stand worden gelaten. De rechtbank had immers de beslissing op bezwaar moeten vernietigen voor zover daarbij het bezwaar van [wederpartij B] ontvankelijk is verklaard. De door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling en griffierechtveroordeling ten gunste van [wederpartij B] kunnen om die reden eveneens in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij A] tegen het besluit van

3 november 2003 alsnog ongegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen voor zover daarbij het bezwaar van [wederpartij B] ontvankelijk is verklaard. Voorts zal de Afdeling, zelf voorziende, het bezwaar van [wederpartij B] niet-ontvankelijk verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 2 februari 2005, 04/1472 en 04/1473, voor zover daarbij het beroep van [wederpartij A] gegrond is verklaard en het college is veroordeeld in de kosten die door [wederpartij A] zijn gemaakt voor het instellen van beroep (proceskosten en griffierecht);

III. verklaart het door [wederpartij A] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel van 3 november 2004, 20040081 / SMdJ, voor zover daarbij [wederpartij B] in zijn bezwaar ontvankelijk is verklaard;

V. verklaart [wederpartij B] alsnog in zijn bezwaar niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel van 3 november 2004, 20040081 / SMdJ, voor zover dit is vernietigd;

VII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2006

66-423.