Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0956

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
200510115/1, 200510115/2, 200510117/1 en 200510117/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2005 heeft de raad van de gemeente Goes (hierna: de gemeenteraad) besloten te verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor het plangebied Binnenstad-Zuid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510115/1, 200510115/2, 200510117/1 en 200510117/2.

Datum uitspraak: 26 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de hoger beroepen van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/1149 en 05/568 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 2 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Goes

en tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/1148 en 05/1147 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 2 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Goes.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2005 heeft de raad van de gemeente Goes (hierna: de gemeenteraad) besloten te verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor het plangebied Binnenstad-Zuid.

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft de gemeenteraad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar voor zover dit de waarmerking van de stukken betreft gegrond verklaard en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goes (hierna: het college) de beslissing op een door appellant op 27 mei 2005 ingediende aanvraag om een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het oprichten van woongebouw op het perceel [locatie] te [plaats] aangehouden.

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar wat betreft het ontbreken van een motivering over de weigering toepassing te geven aan artikel 50, vierde lid, van de Woningwet gegrond verklaard en het besluit van 28 juni 2005 gehandhaafd.

Bij twee afzonderlijke uitspraken van 2 december 2005, verzonden op 8 december 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, de door appellant tegen de besluiten van 16 juni 2005 en 13 oktober 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft appellant bij brief van 9 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2005, heeft appellant in beide zaken de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaken ter zitting behandeld op 11 januari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door H.J.M. Marcus, gemachtigde, en de gemeenteraad en het college, vertegenwoordigd door M. Veraart en G.J. Goemaat, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.1. Overwegingen

2.2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaken en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaken.

Ten aanzien van het voorbereidingsbesluit (200510115/1)

2.3. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad verklaren, dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).

Ingevolge artikel 21, tweede lid, van de WRO wordt bij een voorbereidingsbesluit bepaald voor welk gebied het geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt.

2.4. Vooropgesteld wordt dat de gemeenteraad bij de beslissing om al dan niet een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO te nemen een grote mate van beleidsvrijheid heeft. Een dergelijke beslissing is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij het bestuursorgaan bestaan over de wenselijke planologische ontwikkelingen. Derhalve dient de rechter een zodanige beslissing terughoudend te toetsen.

2.5. De gemeenteraad heeft bij het besluit van 17 februari 2005 voor de exacte aanduiding van het gebied waarvoor dit besluit zou gaan gelden verwezen naar ""de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte tekening"". Gelet op het verhandelde ter zitting, is tussen partijen niet meer in geschil dat bij dit besluit daadwerkelijk een kaart was gevoegd, waarop het gebied waarop het voorbereidingsbesluit betrekking had gearceerd was aangegeven. De kaart was echter gewaarmerkt noch gedateerd. Bij de beslissing op bezwaar van 16 juni 2005 heeft de gemeenteraad het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 februari 2005 wat betreft de waarmerking gegrond verklaard en besloten het gebrek alsnog te herstellen. Naar ter zitting van de zijde van de gemeenteraad is verklaard, is daar bij de eerste vergadering van de gemeenteraad na het zomerreces uitvoering aan gegeven. Dat daarbij sprake was van dezelfde kaart als die, oorspronkelijk gevoegd bij het besluit van 17 februari 2005, is, gelet op het verhandelde ter zitting, niet meer in geschil.

2.6. Gezien het vorenstaande, moet met de voorzieningenrechter worden geoordeeld dat bij de beslissing op het bezwaar van 16 juni 2005 was bepaald voor welk gebied het voorbereidingsbesluit geldt. Van strijd met artikel 21, tweede lid, van de WRO was bij dat besluit derhalve geen sprake. Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de gemeenteraad bij het besluit 16 juni 2005 ten onrechte niet het besluit van 17 februari 2005 in verband met het niet waarmerken van de bijbehorende tekening heeft herroepen faalt. De bezwaarprocedure is immers mede bedoeld om eventueel in een eerder stadium gemaakte fouten en misslagen te herstellen. Daarbij komt dat, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, uit het vorenoverwogene volgt dat ook uit het besluit van 17 februari 2005 met voldoende duidelijkheid kon worden afgeleid voor welk gebied het zou gaan gelden. Mede gelet hierop, bestaat ook, anders dan appellant betoogt, geen grond voor het oordeel dat het voorbereidingsbesluit, dat op 18 februari 2005 is gepubliceerd, opnieuw diende te worden bekendgemaakt en eerst daarna in werking kon treden.

2.7. Appellant betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de gemeenteraad in redelijkheid niet tot het nemen van het voorbereidingsbesluit had kunnen overgaan, althans dat de gemeenteraad ten onrechte niet het perceel [locatie] van de werking van dit besluit heeft uitgezonderd.

2.8. Appellant heeft op 3 februari 2005 bij de afdeling Bouwen en Wonen van de gemeente Goes geïnformeerd naar de mogelijkheden om op dit perceel een appartementencomplex te bouwen en vervolgens op 9 februari 2005 aldaar een zogenoemde massastudie overgelegd met het verzoek dit voor vooroverleg in te brengen bij de welstandscommissie. De dag daarop heeft appellant daarover met enkele medewerkers van voormelde afdeling een onderhoud gehad. In het enkele dagen later aan de gemeenteraad aangeboden voorstel van het college tot het nemen van een voorbereidingsbesluit is aangegeven dat voor de binnenstad van Goes geen bestemmingsplan van kracht is, dat zodanig plan wel noodzakelijk is om ontwikkelingen te kunnen sturen en dat inmiddels een begin is gemaakt met de discussienota's voor het betreffende gebied. Voorts is aangegeven dat het nemen van een voorbereidingsbesluit noodzakelijk is om, zolang voor het gebied nog geen bestemmingsplan van kracht is, ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan.

2.9. Daargelaten of de bouwplannen van appellant de directe aanleiding hebben gevormd voor het nemen van het voorbereidingsbesluit op 17 februari 2005, betekent het enkele feit dat appellant met de afdeling Bouwen en Wonen overleg heeft gevoerd niet dat de gemeenteraad bij het nemen en handhaven van het voorbereidingsbesluit voor meerbedoeld perceel een uitzondering had moeten maken. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, gelet op het verhandelde ter zitting en het schriftelijk stuk ""Concept/voorbespreking [locatie] te [plaats]"", aannemelijk is dat appellant in het onderhoud van 10 februari 2005 er op is gewezen dat een aanvang was gemaakt met de voorbereidingen voor een bestemmingsplan voor het betrokken gebied en voorts dat het college door de medewerkers van voormelde afdeling, gelet op de gevoelige locatie, op de hoogte zou worden gebracht van de bouwplannen van appellant. Anders dan hij stelt, kon appellant er derhalve op bedacht zijn dat binnen afzienbare tijd een voorbereidingsbesluit zou worden genomen. Niet valt in te zien dat, omdat de gemeenteraad appellant niet vooraf over het nemen van het voorbereidingsbesluit heeft geïnformeerd, dit besluit en dat van 16 juni 2005 moet worden geacht niet met de vereiste zorgvuldigheid dan wel in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te zijn genomen.

2.10. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 16 juni 2005 de terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen.

Ten aanzien van het besluit tot aanhouding (200510117/1)

2.11. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet houden burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de bouwvergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening na vaststelling ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 50, vierde lid, van de Woningwet, kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid.

2.12. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen, is het op 17 februari 2005 genomen voorbereidingsbesluit op 18 februari 2005 in werking getreden. Op 27 mei 2005 heeft appellant een aanvraag ingediend om een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een woongebouw op het perceel [locatie]. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen grond was om de bouwvergunning te weigeren. Gelet hierop, moet met de voorzieningenrechter worden geoordeeld dat sprake was van een geval, als bedoeld in voormeld artikel 50, eerste lid, van de Woningwet waarin de beslissing op de bouwaanvraag diende te worden aangehouden.

2.13. Anders dan appellant betoogt, heeft de voorzieningenrechter het besluit van het college om in dit geval geen toepassing te geven aan voormeld artikel 50, vierde lid, van de Woningwet terecht niet onrechtmatig geacht. Daartoe wordt overwogen dat blijkens de stukken ten tijde van het besluit van 13 oktober 2005 nog slechts een voorontwerp-bestemmingsplan voorhanden was dat nog niet was vastgesteld en waarmee bovendien het bouwplan niet in overeenstemming was.

2.14. De conclusie is dat de voorzieningenrechter ook het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2005 terecht ongegrond heeft verklaard.

2.15. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.16. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat de daartoe strekkende verzoeken dienen te worden afgewezen.

2.17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2006