Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
200507164/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2005 heeft verweerder aan verzoekster een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een inrichting ten behoeve van het ontwerpen, installeren en onderhouden van systemen en producten op het gebied van spoor- en vaarweggeleiding, aandrijftechniek en duurzame energie. Deze inrichting is gelegen aan de Herenweg 24a te Maarssen, kadastraal bekend gemeente Maarssen sectie C, nummer 290 (ged.). Dit besluit is op 7 juli 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507164/2.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ""Pintsch Aben B.V."", gevestigd te Maarssen,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maarssen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2005 heeft verweerder aan verzoekster een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een inrichting ten behoeve van het ontwerpen, installeren en onderhouden van systemen en producten op het gebied van spoor- en vaarweggeleiding, aandrijftechniek en duurzame energie. Deze inrichting is gelegen aan de Herenweg 24a te Maarssen, kadastraal bekend gemeente Maarssen sectie C, nummer 290 (ged.). Dit besluit is op 7 juli 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 15 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2005, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 september 2005, waar verzoekster vertegenwoordigd door ing. C. Schink, mr. drs. E. Alders en ing. M. Hillmann, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Stoof en R. Groot, beiden werkzaam bij de Milieudienst Noord-West Utrecht, zijn verschenen.

In het verhandelde ter zitting heeft de Voorzitter aanleiding gezien de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening te vragen een deskundigenbericht uit te brengen. Dit deskundigenbericht is gedateerd 9 november 2005. Van zowel verzoekster als verweerder zijn in reactie op het deskundigenbericht nadere stukken ontvangen.

De Voorzitter heeft het verzoek behandeld in een nadere zitting op 9 januari 2006 waar verzoekster, vertegenwoordigd door ing. C. Schink, mr. drs. E. Alders en ing. M. Hillmann is verschenen. Verweerder is daar niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.3. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde vóór 1 juli 2005, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Verzoekster heeft de grond ten aanzien van de redactie van de voorschriften 10.2 en 10.3 van de vergunning, die volgens haar in hun onderlinge samenhang bezien onduidelijk zijn, niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verzoekster redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De Voorzitter gaat er daarom van uit dat de Afdeling het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Het verzoek van verzoekster betreft onder meer de voorschriften 3.7, 7,6, 7.8, 8.2, tweede volzin, 11.22, 11.34, 14.2, 14.3, 14.5, 14.6 en 16.8 van de vergunning. Verweerder heeft in de reactie op het deskundigenbericht te kennen gegeven dat deze voorschriften kunnen komen te vervallen. De Voorzitter ziet hierin aanleiding om ten aanzien daarvan de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Verzoekster voert aan dat verweerder haar inrichting ten onrechte heeft aangemerkt als zijnde een inrichting behorende tot een categorie van inrichtingen zoals weergegeven op de lijst behorende bij het Inrichtingenbesluit grondwaterbescherming provincie Utrecht 2003.

2.6.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de onderhavige inrichting valt onder de op deze lijst genoemde SBI-categorie metaalproductie-industrie.

2.6.2. In artikel 1.2, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is bepaald dat provinciale staten ter bescherming van het milieu een verordening vaststellen, welke ten minste regels bevat ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden. Een dergelijk gebied betreft ingevolge artikel 5.1.2, eerste en zesde lid, van de Provinciale milieuverordening Utrecht 1995 (hierna: de Verordening) het gebied Bethunepolder.

In artikel 5.4.1, tweede en derde lid, eerste volzin, van de Verordening is bepaald dat indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet verleent voor een inrichting die is of zal zijn gelegen in een milieubeschermingsgebied, worden aan de vergunning in ieder geval de beperkingen aangebracht en de voorschriften verbonden waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, voor zover in die bijlage is aangegeven dat deze van toepassing zijn op de desbetreffende categorie van inrichtingen. Het betreft hier onder meer bestaande risicovolle inrichtingen aangewezen door gedeputeerde staten bij de regels bedoeld in artikel 5.1.3 van de Verordening. Dergelijke regels bevat het Inrichtingenbesluit grondwaterbeschermingsgebieden provincie Utrecht 2003 (hierna: Inrichtingenbesluit 2003). Categorieën van inrichtingen, die als risicovol dienen te worden aangemerkt zijn aangewezen in de bij het Inrichtingenbesluit 2003 behorende lijst.

Het geding spitst zich in zoverre toe op de vraag of de onderhavige inrichting, gezien een deel van de vergunde activiteiten, valt onder de op de lijst behorende bij het Inrichtingenbesluit 2003 genoemde categorie ""metaalproductenindustrie"".

Uit de aanvraag blijkt dat verspanende activiteiten plaatsvinden met aluminium onderdelen waarbij ook metaalbewerkingvloeistoffen worden gebruikt. Daarnaast vinden lasactiviteiten plaats en assemblage van elektrotechnische apparatuur. Deze activiteiten zijn volgens het deskundigenbericht naar haar hun aard karakteristiek voor de metaalproductenindustrie. Gezien het vorenstaande en nu deze activiteiten in belangrijke mate onderdeel uitmaken van het geheel van vergunde activiteiten, houdt de Voorzitter het er vooralsnog voor dat verweerder de inrichting terecht heeft aangeduid als een inrichting behorende tot de categorie ""metaalproductenindustrie"" en daarmee als een bestaande risicovolle inrichting heeft aangemerkt.

Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook in zoverre te worden afgewezen.

2.7. Verzoekster voert aan dat de in voorschrift 6.4 van de vergunning genoemde bodembeschermende voorzieningen, voor zover die voorzieningen zien op vloeren waarboven nat verspanende activiteiten plaatsvinden en een compressor staat opgesteld, gezien de aard van de activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden, geen redelijk milieubelang dienen.

2.7.1. Volgens het bestreden besluit heeft verweerder vanwege de ligging van de inrichting in een milieubeschermingsgebied in afwijking van de normaliter door hem gehanteerde uitgangspunten van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, juli 2001 (hierna: de NRB), namelijk het door het aanleggen van voorzieningen en het treffen van maatregelen bereiken van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging, vergaande bodembeschermende voorzieningen voorgeschreven.

2.7.2. Ingevolge voorschrift 6.4 van de vergunning moet, voor zover hier van belang, de inrichting zodanig in werking worden gehouden dat de bodem en het grondwater niet (verder) kunnen worden verontreinigd. Hierbij moeten die gedeelten van de inrichting, waar ten gevolge van de bedrijfsvoering milieuschadelijke vloeistoffen op de bodem kunnen lekken, zijn voorzien van of:

a. een certificeerde vloeistofdichte vloer of;

b. een vloeistofkerende vloer in combinatie met een lekbak.

Het aanbrengen van een gecertificeerde vloeistofdichte vloer of een vloeistofkerende vloer in combinatie met lekbakken geldt voor de volgende vloeren:

- De vloer waarboven nat verspanende activiteiten plaatsvinden in een straal 1 m rond de desbetreffende machines;

- De vloer waarboven de compressor staat opgesteld in een straal van 1 m rond de compressor.

2.7.3. De Voorzitter overweegt dat de onderhavige procedure zich niet leent voor een diepgaande beoordeling van de vraag of voorschrift 6.4 van de vergunning nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Deze vraag zal daarom in de bodemprocedure moeten worden beantwoord.

Nu het voldoen aan dit voorschrift aanzienlijke investeringen met zich brengt, ziet de Voorzitter, gezien de betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8. De Voorzitter begrijpt het verzoek van verzoekster aldus dat zij van mening is dat voorschrift 8.1 van de vergunning te verstrekkend zijn voor een inrichting waarbij bij het verrichten van de vergunde activiteiten de olie slechts in zeer kleine hoeveelheden door middel van spuitbussen op het werkstuk wordt opgebracht.

2.8.1. Voorschrift 8.1 van de vergunning bepaalt dat de hoeveelheid afgewerkte metaalbewerkingsvloeistof die als afval wordt afgevoerd, zoveel mogelijk moet worden beperkt. Hiervoor moeten ten minste de volgende maatregelen worden getroffen:

- De vloeistofstraal moet zo worden gericht dat onnodig spatten wordt voorkomen;

- Er mag niet meer vloeistof worden gedoseerd dan nodig is;

- Werkstukken en schroot moeten uitlekken, waarbij de vloeistof zo veel mogelijk wordt teruggevoerd naar het proces. Niet herbruikbare vloeistoffen moeten gescheiden van het metaal(afval) worden afgeleverd;

- De bewerkingsmachines moeten voorzien zijn van spatschermen en lekbakken, waarbij de spat-, knoei-, en lekverliezen worden teruggevoerd naar de bewerkingsmachine.

2.8.2. Allereerst overweegt de Voorzitter dat verweerder in de reactie op het deskundigenbericht te kennen heeft gegeven dat voorschrift 8.1 van de vergunning, voor zover het betreft de eerste drie gedachtestreepjes, kan komen te vervallen.

Ten aanzien van het laatste gedachtestreepje van voorschrift 8.1 van de vergunning, overweegt de Voorzitter dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het gebruik van de zaagmachine een spatscherm noodzakelijk is. De overige te treffen maatregelen, zoals genoemd onder het laatste gedachtestreepje, zien volgens het deskundigenbericht naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter op het gebruik van metaalbewerkingmachines waarbij boor- en snijolie in grotere hoeveelheden dan waarvan in het onderhavige geval sprake is, wordt gedoseerd uit een reservoir met pomp. In het onderhavige geval wordt bewerkingsvloeistof uitsluitend door middel van spuitbussen gedoseerd wordt toegepast. Verweerder heeft dit bij het nemen van het bestreden besluit miskend.

Gezien het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding om ten aanzien van voorschrift 8.1 van de vergunning de hierna volgende voorlopige voorziening te treffen.

2.9. Verzoekster voert aan dat spuitbussen onder de definitie van het begrip emballage vallen. Verweerder heeft in de reactie op het deskundigenbericht te kennen gegeven dat spuitbussen ter verduidelijking aan de desbetreffende in de begrippenlijst opgenomen definitie kunnen worden toegevoegd. Het vorenstaande en het deskundigenbericht in acht nemende ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek in zoverre in te willigen. In dat kader overweegt hij dat hij de definitie van ""emballage"" dienovereenkomstig zal aanpassen.

2.10. Voor zover verzoekster aanvoert dat voorschrift 8.4 van de vergunning geen milieubelang dient, overweegt de Voorzitter dat het regelmatig van stof ontdoen van de bedrijfshal dient ter beperking van de diffuse stofemissie vanuit de bedrijfshal naar de omgeving. In zoverre heeft verweerder naar het oordeel van de Voorzitter zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het stellen van een dergelijk voorschrift een milieubelang is gediend.

Het verzoek om een voorlopige voorziening treft in zoverre geen doel.

2.11. Verzoekster voert - kort weergegeven - aan dat voorschrift 9.3 van de vergunning te vaag is. Daartoe wijst zij op het feit dat onvoldoende duidelijk is wanneer aan de desbetreffende voorschriften wordt voldaan. Daarnaast wordt er in voorschrift 9.3 en 9.4 van de vergunning ten onrechte van uitgegaan dat binnen de inrichting een risico voor explosiegevaar bestaat, aldus verzoekster.

2.11.1. Ingevolge voorschrift 9.3 van de vergunning moeten de werkplaats en het magazijn zodanig zijn geventileerd dat ter voorkoming van brand- en explosiegevaar voldoende ventilatie is gewaarborgd om gassen of dampen die ontstaan bij lekkage of werkzaamheden af te voeren.

Ingevolge voorschrift 9.4 van de vergunning moet in het magazijn duidelijk zichtbaar het gevarensymbool ""Vuur, open vlam en roken verbonden"" zijn aangebracht. Het gevarensymbool moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de norm NEN 3011.

2.11.2. Allereerst overweegt de Voorzitter dat voorschrift 9.3 van de vergunning hem voldoende duidelijk voorkomt. Hij overweegt voorts dat uit het deskundigenbericht blijkt dat, anders dan verzoekster meent, met name in het magazijn de kans dat een risicovolle situatie zich voordoet niet kan worden uitgesloten. Verweerder heeft zich in zoverre dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de werkplaats en het magazijn voldoende ventilatie moet zijn gewaarborgd en in het magazijn een gevarensymbool, zoals bedoeld in voorschrift 9.4 van de vergunning dient te worden aangebracht.

Overigens kan volgens het deskundigenbericht om aan de verplichting, zoals genoemd in voorschrift 9.3 van de vergunning, te voldoen worden volstaan met natuurlijke ventilatie. Natuurlijke ventilatie vindt binnen de werkplaats en het magazijn reeds plaats.

Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook in zoverre te worden afgewezen.

2.12. Verzoekster stelt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds bekend was dat de CPR 15-1 zou worden vervangen door de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (hierna: PGS 15). Verweerder had daarop moeten anticiperen, aldus verzoekster.

2.12.1. Vaststaat dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de PGS 15 nog niet was gepubliceerd. De PGS 15 is op 28 juni 2005 en derhalve daags na het nemen van het bestreden besluit gepubliceerd.

Ingevolge artikel 8.9 van de Wet milieubeheer dient het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor te dragen dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, onder meer gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer. De Verordening betreft een dergelijke regel die met betrekking tot de inrichting geldt. Ingevolge artikel 5.4.1, tweede lid, in samenhang bezien met bijlage 9 van de Verordening is verzoekster gehouden, voor zover hier van belang, maatregelen en voorzieningen te treffen zoals bedoeld in de CPR 15-1. Gezien het vorenstaande heeft verweerder in het door verzoekster gestelde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit terecht geen aanleiding gezien om op de PGS 15 te anticiperen.

Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient in zoverre te worden afgewezen.

2.13. Verzoekster voert aan dat opslagplaats A in voorschrift 10.3 van de vergunning ten onrechte is aangemerkt als een ""kluis"" als bedoeld in de CPR 15-1.

2.13.1. De Voorzitter overweegt dat het vooralsnog twijfelachtig is of gezien hetgeen aan opslag van gevaarlijke stoffen in opslagplaats A is aangevraagd, gelet op de in de CPR 15-1 gestelde ondergrens aan de opgeslagen hoeveelheid gevaarlijke stoffen van 25 kg of liter per werkruimte, verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat deze opslagplaats dient te voldoen aan de eisen in de CPR 15-1 gesteld aan een kluis. In de bodemprocedure zal hieromtrent duidelijkheid moeten worden verkregen.

Nu het voldoen aan dit voorschrift aanzienlijke investeringen met zich brengt, ziet de Voorzitter, gezien de betrokken belangen, hierin aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.14. Voor zover verzoekster aanvoert dat voorschrift 13.11 van de vergunning onnodig bezwarend is, merkt de Voorzitter allereerst op dat, anders dan verzoekster meent, dit voorschrift slechts ertoe verplicht dat per ruimte één schakelaar op een bereikbare plaats aanwezig dient te zijn om de brander van de heater(s) binnen die ruimte buiten bedrijf te kunnen stellen.

Gezien de stukken ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht vooralsnog geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een dergelijke voorziening dient te worden getroffen.

Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient in zoverre te worden afgewezen.

2.15. Verzoekster voert aan dat voorschrift 14.1 van de vergunning niet naleefbaar is, nu een persluchtsysteem nimmer lekdicht is.

2.15.1. Ingevolge voorschrift 14.1 van de vergunning dient een persluchtsysteem in rust geheel lekdicht te zijn. Volgens het deskundigenbericht kan die garantie enkel gegeven worden ten aanzien van de compressor. Het systeem als geheel is nimmer lekdicht. Verweerder heeft dit bij het nemen van het bestreden besluit niet onderkend. De Voorzitter ziet dan ook aanleiding om in zoverre de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.16. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maarssen van 27 juni 2005, voor zover het de in de begrippenlijst opgenomen definitie van emballage, de voorschriften 3.7, 6.4, 7.6, 7.8, 8.1, 8.2, tweede volzin, 10.3, 11.22, 11.34, 14.1, 14.2, 14.3, 14.5, 14.6 en 16.8 van de vergunning betreft;

II. treft de voorlopige voorziening dat aan de in de begrippenlijst opgenomen definitie van ""emballage"" spuitbussen zal worden toegevoegd;

III. wijst het verzoek voor het overige af;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maarssen tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 743,42 (zegge:zevenhonderddrieënveertig euro en tweeënveertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Maarssen aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de gemeente Maarssen aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Sparreboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

195.