Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0293

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200502828/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2002, kenmerk 2002-7787/02.8291, heeft verweerder het verzoek van appellanten tot handhaving ten aanzien van de inrichting van [vergunninghoudster], gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502828/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2002, kenmerk 2002-7787/02.8291, heeft verweerder het verzoek van appellanten tot handhaving ten aanzien van de inrichting van [vergunninghoudster], gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij brief van 6 januari 2003 hebben appellanten daartegen bezwaar gemaakt. Tegen het uitblijven van een beslissing op dit bezwaar hebben zij beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 4 mei 2004, in zaak nr. 200308468/2, heeft de Afdeling dit beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar van appellanten.

Tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar hebben appellanten bij brief van 1 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, zijn verschenen.

Bij brief van 5 juli 2005 hebben appellanten de gronden van hun beroep aangevuld.

Bij brief van 1 augustus 2005 heeft verweerder een nadere memorie ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 oktober 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting op 6 december 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en verweerder, vertegenwoordigd door J.J.A. Wingens, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [vennoot].

2.    Overwegingen

2.1.1.    Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

   Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

2.1.2.    Het ter beoordeling staande beroep van 1 april 2005 is ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van appellanten. Vast staat dat verweerder bij besluit van 29 september 2004 heeft beslist op het bezwaar van appellanten. Dit besluit is niet aangetekend verzonden. Ook is  geen stuk overgelegd op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat het besluit verzonden is. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat dit besluit niet is opgenomen in het gemeentelijke postregistratiesysteem, terwijl dit volgens hem wel had moeten geschieden. Aan de hand van die feiten en omstandigheden gaat de Afdeling daarom uit van de juistheid van de stelling van appellanten, die er op neer komt dat het besluit van 29 september 2004 niet is bekendgemaakt vóór 1 april 2005, zodat er vóór 1 april 2005 ook nog geen beroep tegen dat besluit kon worden ingesteld, doch slechts tegen het uitblijven daarvan.

2.1.3.    Aangezien de beslissing op bezwaar van 29 september 2004 niet (geheel) tegemoet komt aan het bezwaar van appellanten, wordt ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van appellanten tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 september 2004.

2.1.4.    Appellanten stellen dat verweerder in strijd met de hiervoor genoemde uitspraak van 4 mei 2004 in zaak nr. 200308468/2 niet binnen de in deze uitspraak bepaalde termijn van vier weken op hun bezwaar heeft beslist.

2.1.5.    Nu na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog het besluit van 29 september 2004 is bekendgemaakt en appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij nog belang hebben bij een beoordeling van het met een besluit gelijk te stellen te stellen niet tijdig nemen van een besluit, dient het beroep wat dit betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard. De Afdeling ziet in het vorenstaande niettemin aanleiding om toepassing te geven aan de artikelen 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2.    Gezien het vorenstaande staat hier vervolgens de rechtmatigheid van het besluit van 29 september 2004 ter beoordeling.

2.3.    Appellanten stellen dat het APK-station van [vergunninghoudsters], gelegen aan de [locatie] te [plaats], samen één inrichting vormen in de zin van de Wet milieubeheer.

2.3.1.    De Afdeling maakt uit het deskundigenbericht op dat tussen het tankstation en het APK-station geen bindingen bestaan van technische en organisatorische aard. Het gebruik van dezelfde in- en dezelfde uitrit en de omstandigheid dat de beide percelen in eigendom zijn bij een en dezelfde derde, betekent niet dat sprake is van één inrichting. De beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.4.    Voor zover appellanten stellen dat de milieugevolgen van de aan- en afvoerbewegingen over de inrit en de uitrit ten onrechte zijn beoordeeld als indirecte hinder, constateert de Afdeling dat die inrit en die uitrit geen onderdeel uitmaken van de inrichting van [vergunninghoudster], zodat de bedoelde hinder terecht als indirecte hinder is aangemerkt en beoordeeld.

2.5.    De beroepsgrond dat het akoestisch rapport ondeugdelijk is voor zover het de aantallen voertuigen en de rijsnelheid betreft, vindt geen steun in het deskundigenbericht. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.6.    De desbetreffende schoonheidssalon maakt blijkens de stukken deel uit van de woning van appellanten en geniet om die reden dezelfde milieuhygiënische bescherming als de woning. De beroepsgrond omtrent het ontbreken van bescherming voor die salon treft dan ook geen doel.

2.7.    Voor zover appellanten stellen dat een risico-analyse opgesteld had moeten worden, oordeelt de Afdeling dat, gelet op de vigerende regelgeving, zulks niet wettelijk vereist is. De beroepsgrond treft evenmin doel.

2.8.    Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak en de zaken nr. 200502875/1 en nr. 200502877/1 moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat in verband daarmee het bedrag dat voor de in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten dient te worden vergoed, gelijkelijk over de zaken is verdeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oss tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 332,27 (zegge: driehonderdtweeëndertig euro en zevenentwintig cent), waarvan een gedeelte groot € 268,33 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Oss aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Oss aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Stolker

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

157-424.