Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0289

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200504072/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een energiepremie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504072/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een energiepremie afgewezen.

Bij besluit van 29 maart 2005 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en appellant een energiepremie toegekend voor het opstellen van een energieprestatieadvies.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2005, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. M.F. Groen, advocaat te Almelo, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.C. van Scherpenseel en drs. R.G. van der Lee, beiden ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) kan verweerder voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van het milieubeheer subsidie verstrekken.

2.2.    Op basis van artikel 15.13, eerste lid, van de Wm is vastgesteld de Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (Stcrt. 2002, nr. 248), gewijzigd bij regeling van 5 augustus 2003 (Stcrt. 2003, nr. 157) (hierna: de Tre 2003).

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Tre 2003 wordt verstaan onder aanschaf: eigendomsverkrijging door levering krachtens een in het kalenderjaar 2003 met een leverancier gesloten koopovereenkomst.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de Tre 2003 wordt onder energiepremie verstaan: een in bijlage 1 genoemde premie, uit te keren vanwege de aanschaf van een daarin genoemd apparaat of daarin genoemde voorziening.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, sub 1, van de Tre 2003 wordt onder een voorziening verstaan: een in het kalenderjaar 2003 aangeschafte, in of aan een woning aangebrachte en in werking zijnde voorziening of maatregel als genoemd in bijlage 1.

   Bijlage 1, behorend bij artikel 1, aanhef, en onder d, en j, van de Tre 2003, vermeldt onder titel 3010: "fotovoltaïsche zonne-energie (PV-systeem). Bestemd voor: het opwekken van elektriciteit op een woning, waarbij de opgewekte elektriciteit direct wordt gebruikt of teruggeleverd aan het openbare elektriciteitsnet."

   Ingevolge artikel II, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling intrekking en overgangsbepalingen Tijdelijke regeling energiepremies 2003 (Stcrt. 2003, nr. 193), zoals gewijzigd per regeling van 6 november 2003 (Stcrt. 2003, nr. 220) (hierna: de Intrekkingsregeling), is de Tre 2003 ingetrokken met ingang van 16 oktober 2003, met dien verstande dat de artikelen 1 tot en met 10 en 12 en de bijlagen 1 en 2 van die regeling van toepassing blijven ten aanzien van een op of na 16 oktober 2003 ingediende aanvraag ten aanzien van een apparaat of voorziening, terzake waarvan de koopovereenkomst vóór genoemde datum is gesloten, met dien verstande dat zowel de betreffende levering als het indienen van die aanvraag in zoverre in afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Tre 2003, zoals deze luidde op 15 oktober 2003, vóór 16 januari 2004 moeten hebben plaatsgehad.

2.3.    Vast staat dat appellant naar aanleiding van een op 7 oktober 2003 uitgebracht energieprestatieadvies ten behoeve van zijn woonhuis aan de [locatie] te [plaats] zonnepanelen (een PV-systeem) heeft aangeschaft. Op 7 januari 2004 zijn de zonnepanelen aangebracht en geïnstalleerd. De aanvraag van appellant om een energiepremie dateert van 8 januari 2004.

   Voorts is niet in geschil dat de zonnepanelen kort hierna van het dak van het pand aan de [locatie] zijn verwijderd.

2.4.    Verweerder heeft in de bestreden beslissing op bezwaar voorop gesteld dat het doel van de Tre 2003 is om bij te dragen aan de vermindering van CO2 door het stimuleren van consumenten om energiezuinige voorzieningen aan te schaffen en te gebruiken aan de hand van het verstrekken van premies als financiële tegemoetkoming in de kosten hiervoor. Uit de aard en het doel van de regeling volgt derhalve dat een aangeschafte voorziening alleen voor energiepremie in aanmerking komt indien deze wordt gebruikt, aldus verweerder. Nu bij een controle door het energiebedrijf op 5 mei 2004 bleek dat de zonnepanelen niet op het dak van de woning aan de [locatie]     aanwezig waren en derhalve niet in gebruik waren, heeft verweerder geoordeeld dat appellant geen recht heeft op een energiepremie.

2.5.    Appellant betoogt dat hem ten onrechte geen energiepremie is toegekend voor de installatie van het PV-systeem. Hij voert daartoe onder verwijzing naar de installatieverklaring van 7 januari 2004 aan dat hij met de aanschaf en installatie van de zonnepanelen heeft voldaan aan de vereisten van de Tre 2003. Appellant voert verder aan dat de Tre 2003 niet vereist dat een PV-systeem na installatie en ingebruikname ook als zodanig in stand moet worden gehouden. Hij heeft daarbij vermeld dat hij kort na de installatie de zonnepanelen van het dak van het pand aan de [locatie] heeft verwijderd met de bedoeling om deze vervolgens te plaatsen op het dak van zijn nieuwe woning aan [locatie 1].

2.6.    Het betoog slaagt. Artikel 1, aanhef en onder j, sub 1, van de Tre 2003 vereist slechts dat een voorziening in of aan een woning is aangebracht en in werking is en niet, dat deze als zodanig in gebruik moet worden gehouden. Dat volgt ook niet uit de Tre 2003 voor het overige dan wel uit de toelichting op genoemd artikel, zoals verweerder heeft betoogd. Ook uit artikel 14, aanhef en onder c, van het Uitvoeringsreglement Energiepremie 2003 vloeit een zodanige eis niet voort, nog daargelaten of zo een eis in dat reglement had mogen worden opgenomen, gelet op het feit dat op grond van artikel 7, tweede lid, van de Tre 2003 in een dergelijk reglement alleen nadere regels van administratieve en procedurele aard kunnen worden gesteld. De Afdeling is derhalve van oordeel dat verweerder de aanvraag van appellant ten onrechte heeft afgewezen op grond van een eis die de Tre 2003 niet kent en het daartegen gerichte betoog van appellant in bezwaar evenzeer ten onrechte heeft verworpen.

   Verweerder heeft aan de bestreden beslissing evenmin ten grondslag kunnen leggen dat de Tre 2003 er niet toe strekt om energiepremie te verstrekken voor het treffen van voorzieningen die niet bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de Tre 2003, nu zulks ook niet op een in de Tre 2003 neergelegde weigeringsgrond is terug te voeren. Anders dan verweerder ter zitting heeft aangevoerd vloeit een dergelijk oordeel niet voort uit de uitspraak van de Afdeling in zaak no. 200406279/1 van 29 juni 2005, nu de Afdeling in die uitspraak heeft geoordeeld over de uitleg van het begrip 'een als woning gebruikte onroerende zaak' uit artikel 1, aanhef en onder c, van de Tre 2003, in de zin dat de regelgever daarbij niet geacht kan worden het aanbrengen van voorzieningen te hebben willen stimuleren die illegaal worden benut. Van een zodanig illegaal gebruik is in dit geval geen sprake. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de door appellant bij brief van 10 februari 2005 aangeboden bankgarantie voldoende duidelijk is dat appellant de bedoeling heeft om de zonnepanelen aan te brengen op het dak van het pand aan [locatie 1] en zodoende bij te dragen aan de doelstellingen van de Tre 2003. Dat de zonnepanelen, zoals door appellant ter zitting verklaard, door - onder andere - problemen met de dakconstructie nog niet op het dak van zijn nieuwe woning zijn aangebracht, doet daaraan niet af, nu het aanbrengen daarvan door het aanvaarden van de aangeboden garantie voldoende kan worden verzekerd.

2.7.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het besluit van 29 maart 2005 in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een deugdelijke motivering ontbeert.

2.8.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd en verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.9.    Het op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat nadere besluitvorming door verweerder is vereist en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen.

2.10.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 maart 2005, EPR/7601AK6/BEZW/3/992;

III.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

IV.    veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 998,24 (zegge: negenhonderdachtennegentig euro en vierentwintig cent), waarvan € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

47-496.