Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0282

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200502630/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Asten (hierna: het college) [vergunninghoudster] gevestigd te [plaats] onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 1 december 2004 de opslag van stacaravans op het perceel [locatie] te [plaats], te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502630/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/218 en 05/212 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 februari 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Asten.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Asten (hierna: het college) [vergunninghoudster] gevestigd te [plaats] onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 1 december 2004 de opslag van stacaravans op het perceel [locatie] te [plaats], te beëindigen.

Bij besluit van 14 december 2004 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 23 augustus 2004 onder verlenging van de begunstigingstermijn tot 1 april 2005 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 10 februari 2005, verzonden op 15 februari 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover hier van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door M.G.J. Koenen, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door E.J.B.L. van Amelsfoort-Nooijen en mr. C.S. Rotman, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Vooropgesteld wordt dat de voorzieningenrechter het door [directeur van appellante], ingestelde beroep ten onrechte op naam van [directeur van appellante] in persoon heeft gesteld. Ter zitting is gebleken dat [directeur van appellante] steeds heeft beoogd namens appellante bezwaar te maken en beroep in te stellen. Gelet hierop is het door appellante ingestelde hoger beroep ontvankelijk.

2.2.    De Afdeling stelt vast dat de last onder dwangsom niet gericht is aan appellante maar aan [vergunninghoudster] Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 10 december 2003, no. 200301869/1, betreft een last onder dwangsom, anders dan een besluit tot toepassing van bestuursdwang, alleen de (vermeende) overtreder. Omdat alleen de overtreder een dwangsom kan verbeuren, is in beginsel slechts hij aan te merken als belanghebbende bij de last als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat appellante door de opgelegde last onder dwangsom niet rechtstreeks in haar belangen is getroffen.

   De voorzieningenrechter is er dan ook ten onrechte aan voorbijgegaan dat het college het door appellante gemaakte bezwaar tegen de aan [vergunninghoudster] gerichte last onder dwangsom niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren, de bestreden beslissing op bezwaar van 14 december 2004 vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het door appellante gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 februari 2005, nos. AWB 05/218 en 05/212, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Asten van 14 december 2004, kenmerk AST04/4655/tk;

V.    verklaart het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 augustus 2004 niet-ontvankelijk;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Asten tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Asten aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de gemeente Asten aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 343,00 (zegge: driehonderddrieenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

328-422.