Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0274

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200503641/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2003 heeft de raad van de gemeente Someren (hierna: de raad) het verzoek van appellant om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503641/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1975 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 16 maart 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Someren.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2003 heeft de raad van de gemeente Someren (hierna: de raad) het verzoek van appellant om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 25 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 juni 2005 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H.C.M. Looijmans, en de raad, vertegenwoordigd door H.M.A. van der Linden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

   Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.2.    Appellant exploiteert op zijn perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) een autoschadeherstelbedrijf. Hij heeft het perceel in 1982 verworven. Het perceel was voorheen in het bestemmingsplan "Industrieterrein het Vaartje", dat door de raad op 29 september 1967 is vastgesteld, door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 11 september 1968 gedeeltelijk is goedgekeurd en daarna rechtens onaantastbaar is geworden, bestemd als "Handel en Nijverheidsbedrijf klasse A". In het door de raad op 16 december 1998 vastgestelde en door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 6 april 1999 goedgekeurde bestemmingsplan "Bedrijventerrein 't Vaartje", dat nadien in rechte onaantastbaar is geworden, is het perceel bestemd als "Bedrijven".

   Vaststaat dat op grond van laatstgenoemde bestemming de bouw van een bedrijfswoning op het perceel niet is toegestaan.

2.3.    In hoger beroep is uitsluitend in geschil het oordeel van de rechtbank dat het vorige bestemmingsplan "Industrieterrein het Vaartje" geen vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 15 van de WRO kende op grond waarvan op het perceel een dienstwoning ten behoeve van het autoschadeherstelbedrijf van appellant gerealiseerd had kunnen worden.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voornoemde vrijstellingsbevoegdheid in de bepalingen van dat bestemmingsplan besloten lag, dan wel dat in de vrijstellingsbepaling een voegwoord "en" of "of" is weggevallen. Hij heeft verder aangevoerd dat in de transportakte waarbij het perceel in 1982 aan hem is geleverd een door de gemeente geëist kettingbeding is opgenomen met bepalingen omtrent de bouw van een dienstwoning op het perceel, dat de gemeente hem bij brief van 7 mei 2001 heeft meegedeeld dat in 1982 op grond van het bestemmingsplan "Industrieterrein het Vaartje" de bouw van een dienstwoning op het perceel nog was toegestaan, dat de gemeente tot 1988 van opvatting was dat voornoemd bestemmingsplan de bouw van een dienstwoning op gronden met de bestemming "Handel en Nijverheidsbedrijf klasse A" toestond en dat de gemeente in 1984 aan een nabijgelegen bedrijf een bouwvergunning voor de bouw van een dienstwoning heeft verleend.

2.4.1.    Voor gronden met de bestemming "Handel en Nijverheidsbedrijf klasse A" golden, voor zover hier van belang, de volgende voorschriften van het bestemmingsplan "Industrieterrein het Vaartje".

"Artikel 1. Handel en Nijverheidsbedrijf klasse A.

Lid A.    De als zodanig bestemde gronden zijn bestemd voor handel en nijverheid met daartoe nodige bedrijfsgebouwen, daarbij behorende andere bouwwerken en werken, met dien verstande dat:

   a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. geen dienstwoning mag worden gebouwd;

e. (…)

(…)

Lid E.    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid A, voor zover handel en nijverheid betreffende voor een fokkerij en/of mesterij met een overwegend handels- of industrieel karakter;

(…)

sub d. voor niet meer dan 2 dienstwoningen op elk bouwperceel, voor zover onmisbaar voor de uitoefening van het desbetreffende bedrijf, met dien verstande dat, een dienstwoning als een vrijstaande dan wel dubbele woning direct toegankelijk van een weg moet worden gebouwd.

(..)"

2.4.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de tekst van voornoemd lid E geen aanknopingspunten biedt voor het betoog van appellant dat in die bepaling een algemene vrijstellingsbevoegdheid moet worden gelezen dan wel dat daarin tussen "betreffende" en "voor" een voegwoord is weggevallen. Dat in de transportakte van appellant uit 1982 de mogelijkheid van het oprichten van een dienstwoning is vermeld, dat het college in een brief aan appellant heeft beaamd dat de bouw van een dienstwoning op het perceel in 1982 nog mogelijk was, dat in 1984 aan een nabijgelegen timmerbedrijf een bouwvergunning voor een bedrijfswoning is verleend, als ook de omstandigheid dat ambtenaren van de gemeente volgens appellant in elk geval tot 1986 van mening waren dat het bestemmingsplan de bouw van een woning toestond voor andere bedrijven dan fokkerijen en mesterijen kan bij de uitleg van artikel 1, lid E, van de voorschriften van het bestemmingsplan geen rol spelen. Bij de uitleg van bestemmingsplanvoorschriften is uitsluitend de tekst van, eventueel aangevuld met de toelichting op, het betreffende artikel bepalend.

2.5.    De conclusie is dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het bestemmingsplan "Industrieterrein het Vaartje" geen binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid kende voor het oprichten van een dienstwoning ten behoeve van het autoschadeherstelbedrijf van appellant.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

171-507.