Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0271

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200503936/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een garage op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503936/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. WRO 04/2428 van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een garage op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 maart 2005, verzonden op 24 maart 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 juli 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 13 juli 2005 heeft [partij], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan de Rijn, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.M. Schong, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar verschenen [partij], bijgestaan door mr. I.J. Verbaan, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan is voorzien op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Het Lage en Hoge Bergse Bos, gedeelte Hoge Bergse Bos, 1e Uitwerkings- c.q. wijzigingsvoorschrift" de bestemming "Wandel- en speelbos" rust. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met deze bestemming. Het college heeft geweigerd vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de belangenafweging op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de vrijstelling en de bouwvergunning hem zowel in strijd met het vertrouwensbeginsel als met het gelijkheidsbeginsel zijn geweigerd.

2.2.1.    In de beslissing op bezwaar van 30 juni 2004 is het college, anders dan appellant betoogt, inhoudelijk ingegaan op de brief van 19 januari 2004 die het ontwerp- en ingenieursbureau Liket B.V. (hierna: Liket B.V.) heeft verstuurd als reactie op het stedenbouwkundig advies van 30 oktober 2003, dat in opdracht van het college door de stedenbouwkundige ir. A. de Graaf van het bureau Kuiper Compagnons is opgesteld. Het college heeft in de afweging niet alleen de verdeling van de bouwmassa’s over het perceel zelf betrokken, zoals Liket B.V. dat doet, maar heeft, in navolging van het stedenbouwkundig advies, ook de omgeving van het perceel in ogenschouw genomen. Voorts heeft het college, eveneens in navolging van het laatst genoemde advies, de stedenbouwkundige visie gehanteerd die ook bij een eventuele herziening van het bestemmingsplan maatgevend zou zijn. Aan het rapport van Liket B.V. komt, gezien de eenzijdige benadering ervan, niet het gewicht toe dat appellant eraan wil hechten.

   De rechtbank heeft dan ook terecht niet onredelijk geacht dat het college aansluiting heeft gezocht bij de stedenbouwkundige visie van ir. A. de Graaf van Kuiper Compagnons.

2.2.2.    Voorts faalt het betoog van appellant dat het college bij de belangenafweging doorslaggevend gewicht had moeten toekennen aan het feit dat zich voorheen reeds opstallen bevonden op het perceel, in de hoek waar het bouwplan voorzien is. Uit de stukken is gebleken dat het ging om twee kleine schuurtjes met een oppervlakte van elk 5 m2 en 1,80 m hoog, terwijl het bouwplan een garage betreft met een oppervlakte van 42 m2 en een hoogte van 6,16 m. Het ruimtelijk effect van de beoogde garage is daarmee aanzienlijk groter dan dat van de voorheen aanwezige schuurtjes. Evenmin valt in te zien dat, zoals appellant betoogt, de reeds aanwezige haag van ongeveer twee meter hoog evenveel uitzicht van omwonenden wegneemt als de veel hogere garage.

2.2.3.    Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde persoon waaraan appellant het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen. Dat de welstandscommissie geen opmerkingen had over het uiterlijk van de garage maakt dit niet anders, net zo min als het feit dat het college, naar aanleiding van ingediende zienswijzen over het voornemen om vrijstelling te verlenen, op eigen initiatief advies heeft gevraagd aan de stedenbouwkundige ir. A. de Graaf van het bureau Kuiper Compagnons.

   Ten slotte is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft, nu ter zitting is gebleken dat geen enkele woning met garage op een locatie is gelegen die vergelijkbaar is met die van de woning van appellant. De gevallen, waarop appellant doelt, zijn alle in andere bestemmingsplangebieden gelegen of zijn anders gesitueerd ten opzichte van de Rottekade dan de woning van appellant.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

218-488.