Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200506198/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2003 heeft het Bureau voor de Industriële Eigendom, thans Octrooicentrum Nederland (hierna: het Bureau) een verzoek van appellante tot herstel van het op haar naam gestelde Europees octrooi nr. 0 364 255 voor Nederland - dat per 1 mei 2002 is vervallen - ongegrond verklaard en het gevraagde herstel geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 362 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506198/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de rechtspersoon naar Amerikaans recht "Baylor College of Medicine", gevestigd te Houston, Verenigde Staten,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/92 van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het Bureau voor de Industriële Eigendom, thans Octrooicentrum Nederland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2003 heeft het Bureau voor de Industriële Eigendom, thans Octrooicentrum Nederland (hierna: het Bureau) een verzoek van appellante tot herstel van het op haar naam gestelde Europees octrooi nr. 0 364 255 voor Nederland - dat per 1 mei 2002 is vervallen - ongegrond verklaard en het gevraagde herstel geweigerd.

Bij besluit van 20 november 2003 heeft het Bureau het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2005, verzonden op 10 juni 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 september 2005 heeft het Bureau van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door dr. ing. O.L. Oudshoorn en mr. K.A.J. Bisschop, advocaat te Amsterdam, en het Bureau, vertegenwoordigd door mr. C. Witteman en mr. J.L. Driessen, beiden werkzaam bij het Octrooicentrum Nederland, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 62 van de Rijksoctrooiwet 1995 (hierna: ROW 1995) vervalt een octrooi van rechtswege, wanneer de in artikel 61 vermelde bedragen niet binnen zes kalendermaanden na de daar vermelde vervaldag zijn betaald.

    Ingevolge artikel 23, eerste lid, voorzover thans van belang, wordt, indien de houder van een Europees octrooi, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest een termijn ten opzichte van het Bureau in acht te nemen, op zijn verzoek door het Bureau de vorige toestand hersteld indien het niet in acht nemen van de termijn ingevolge deze rijkswet rechtstreeks heeft geleid tot het verlies van enig recht of rechtsmiddel.

2.2.    Het Bureau stelt zich in het besluit op bezwaar op het standpunt dat in dit geval niet alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid is betracht. Het stelt dat het administratieve systeem ten kantore van de octrooigemachtigde van appellante, Fullbright & Jaworski (hierna: F&J), een adequaat systeem met dubbele controles is ter voorkoming van voorzienbare fouten, die zelfs goed ingewerkt, goed geïnstrueerd en ervaren personeel kan maken. Naar het oordeel van het Bureau is door [medewerkster A] van F&J echter niet de adequate, voorgeschreven controle uitgevoerd en daarom is geen sprake van een zogenaamde "geïsoleerde misslag", maar van verwijtbaar onzorgvuldig handelen.

2.3.    De rechtbank overweegt dat er, wil een verzoek om herstel ingevolge artikel 23 van de ROW 1995 voor inwilliging in aanmerking komen, gelet op de door het Bureau in het verweerschrift genoemde jurisprudentie van de Octrooiraad, naast een adequaat controlesysteem en op zich competent personeel tevens sprake moet zijn van zekere "verontschuldigbare omstandigheden", althans van een situatie waarin geen verwijt kan worden gemaakt aan degene die de misslag heeft begaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat haar van enige verontschuldigende omstandigheid voor het handelen van zowel [medewerkster A] als [medewerkster B] niet is gebleken. Voorts is de rechtbank met het Bureau van oordeel dat [medewerkster A] het verwijt kan worden gemaakt dat zij te gemakkelijk heeft aangenomen dat de stapel afschriften van e-mailberichten houdende de bevestiging van de opdrachten aan het betaalkantoor Master Data Center compleet was. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het feit dat [medewerkster A] en [medewerkster B] het ontbreken van bevestigingen van betaalopdrachten hebben gemist zowel voor Nederland als voor Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, terwijl voor alle landen kennelijk afzonderlijke e-mailberichten worden verstuurd. De rechtbank is van oordeel dat het Bureau op goede gronden heeft overwogen dat de in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid niet is betracht.

2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de geboden zorgvuldigheid in de zin van artikel 23 ROW 1995 slechts is betracht indien er - naast een adequaat controlesysteem en competent personeel - sprake is van "verontschuldigbare omstandigheden", althans van een situatie waarin geen verwijt kan worden gemaakt aan degene die de misslag heeft begaan. Een dergelijke rechtsregel volgt niet uit artikel 23 van de ROW 1995 of de daaruit voortvloeiende jurisprudentie, aldus appellante. Zij voert aan dat het bovendien nagenoeg onmogelijk is om na te gaan wat de oorzaak is van een fout. In het onderhavige geval valt niet uit te sluiten dat de door [medewerkster A] gemaakte fout mede is veroorzaakt door privé-omstandigheden, aldus appellante.

   Voorts betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [medewerkster A] een verwijt kan worden gemaakt. Zij voert aan dat uit de verklaringen van [medewerkster A] blijkt dat zij serieus heeft gecontroleerd of haar instructies aan [medewerkster B] waren uitgevoerd en dat sprake is van een geïsoleerde misslag, nu [medewerkster A] bij het doorlopen van de door [medewerkster B] overgelegde e-mailberichten de ontbrekende landen over het hoofd heeft gezien.

2.4.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat het administratieve systeem ten kantore van F&J een adequaat systeem is ter voorkoming van voorzienbare fouten die zelfs goed ingewerkt, goed geïnstrueerd en ervaren personeel kan maken. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat artikel 23, eerste lid, van de ROW 1995 aldus dient te worden uitgelegd dat, wil die bepaling kunnen worden toegepast, naast een adequaat controlesysteem en op zich competent personeel tevens sprake moet zijn van zekere verontschuldigbare omstandigheden, althans van een situatie waarin geen verwijt moet kunnen worden gemaakt aan degene die de misslag heeft begaan.

   Uit de stukken blijkt dat [medewerkster B] een fout heeft gemaakt door de betalingsopdracht door middel van een "screenprint" met het te betalen bedrag niet per e-mail te verzenden aan het betaalkantoor. Zij heeft wel de deadline voor betaling van de betreffende jaartaks uit de "docketing calendar" verwijderd. Deze fout zou, indien de juiste procedure zou zijn gevolgd, door [medewerkster A] zijn opgemerkt. Haar taak bestond uit het controleren of [medewerkster B] aan het betaalkantoor de betalingsopdrachten had verstrekt. Nu het systeem als adequaat is aangemerkt, dient ervan te worden uitgegaan dat [medewerkster A] als leidinggevende haar specifieke controlerende taak kon uitvoeren. De rechtbank overweegt terecht dat echter geenszins is gebleken dat [medewerkster A] bij de controle van de werkzaamheden van [medewerkster B] de voorgeschreven procedure heeft uitgevoerd. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat [medewerkster A] een verwijt kan worden gemaakt, in die zin dat zij kennelijk te gemakkelijk heeft aangenomen dat de stapel afschriften van e-mailberichten houdende de bevestiging van de opdrachten aan het betaalkantoor, compleet was en voorts dat dit oordeel wordt ondersteund door het feit dat [medewerkster A] bij de voorgeschreven controle van de werkzaamheden van [medewerkster B] over het hoofd heeft gezien dat drie van de tien e-mailberichten ten aanzien van de taksenbetaling voor drie verschillende landen ontbraken. Gesproken kon worden van verwijtbare nalatigheid aan de zijde van [medewerkster A] nu zij haar controletaak niet naar behoren heeft uitgevoerd. Enige concrete verontschuldigende omstandigheid voor het handelen van [medewerkster A] is door appellante niet gesteld. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellante niet alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid heeft betracht.

   Het betoog van appellante - onder verwijzing naar jurisprudentie van de Bijzondere Afdeling van de Octrooiraad - dat de fout van [medewerkster A] niet erger is dan andere fouten waarbij wel herstel heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders. De misstap is in dit geval te wijten aan een leidinggevende met een specifiek controlerende taak en in die zin is van gelijke gevallen geen sprake.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006.

176-440.