Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200506464/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2002 heeft de raad van de gemeente Aalsmeer (hierna: de raad), voor zover hier van belang, op grond van artikel 2 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) de artikelen 10-24, 26 en 27 van die wet van toepassing verklaard op de aan appellanten toebehorende gronden, kadastraal bekend gemeente Aalsmeer, nummers […] en […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/861 met annotatie van F.G.M.H.J. Weerts
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506464/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beide gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/170 BESLU van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Aalsmeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2002 heeft de raad van de gemeente Aalsmeer (hierna: de raad), voor zover hier van belang, op grond van artikel 2 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) de artikelen 10-24, 26 en 27 van die wet van toepassing verklaard op de aan appellanten toebehorende gronden, kadastraal bekend gemeente Aalsmeer, nummers […] en […].

Bij besluit van 21 november 2002 heeft de raad het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 september 2005 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. S. Levelt, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.K. Koornneef, advocaat te Lisse, en ing. M. Willemsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg kunnen bij besluit van de gemeenteraad gronden, begrepen in een structuurplan, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming, of in een bestemmingsplan, worden aangewezen als gronden, waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van toepassing zijn.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel komen voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid alleen in aanmerking de gronden, waaraan bij het structuurplan, onderscheidenlijk het bestemmingsplan een niet-agrarische bestemming is toegedacht, onderscheidenlijk gegeven en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

2.2.    Appellanten betogen - samengevat weergegeven - enerzijds dat de raad geen belang had bij het vestigen van het voorkeursrecht, omdat in het bestemmingsplan de bestemming voor de percelen van appellanten nog niet was uitgewerkt en omdat zij een reëel en concreet aanbod tot zelfrealisatie hebben gedaan. Anderzijds voeren appellanten aan dat weliswaar de belangen van de gemeente in het raadsvoorstel voor de raadsvergadering van 20 januari 2000 aan de orde zijn gesteld, maar dat voorbij is gegaan aan de individuele belangen van appellanten ten aanzien van hun percelen en dat deze belangen niet slechts van financiële aard zijn.

2.2.1.    Dit betoog faalt.

   Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad het voorkeursrecht heeft gevestigd met het oog op de verwezenlijking van het door hem op 14 februari 2002 vastgestelde bestemmingsplan "N201-zone", dat voorziet in een verlegging van de N201 en de aanleg van een bedrijventerrein. Er is geen grond voor het oordeel dat de in dit bestemmingsplan aan de percelen van appellanten toegekende, nog uit te werken bestemming niet zou kunnen dienen als grondslag voor de aanwijzing van gronden ingevolge de Wvg. Uit de beslissing op bezwaar blijkt voldoende dat met de nieuwe bestemming "Uit te werken bedrijfsdoelen" een ander of intensiever gebruik van de gronden wordt toegestaan zodat sprake is van een afwijking in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wvg van het huidige agrarische gebruik. Ter zitting is namens de raad toegelicht dat voor de onderhavige percelen een groen/blauwe zone en de vestiging van hoogwaardige bloemverwerkende bedrijven zijn voorzien. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gelet op Afdelingsuitspraak van 16 april 2003 in zaak no. 200204782/1, bij vestiging van een voorkeursrecht op basis van een globaal bestemmingsplan geen zekerheid behoeft te bestaan omtrent de vraag of de beoogde uitwerking, waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, daadwerkelijk tot stand zal komen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de uitvoering van de plannen zo onzeker is dat de raad in redelijkheid geen voorkeursrecht heeft kunnen vestigen.

   Hun betoog over de betekenis van hun aanbod tot zelfrealisatie hebben appellanten gebaseerd op de arresten van de Hoge Raad van 10 oktober 2000 (NJ 2001/288), 17 november 2000 (NJ 2001/289) en 15 november 2002 (NJ 2003/590), waaruit zij afleiden dat de gemeenteraad gelet op hun aanbod had moeten afzien van het vestigen van het voorkeursrecht.

   De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat deze arresten betrekking hebben op de situatie waarin op een perceel eenmaal een voorkeursrecht is gevestigd en een gemeente op grond van artikel 26 van de Wvg deswege de nietigheid heeft ingeroepen van een koopovereenkomst betreffende dat perceel. Het in de arresten neergelegde oordeel van de Hoge Raad ziet derhalve uitsluitend op het uitoefenen van een reeds gevestigd voorkeursrecht door gebruikmaking van de in artikel 26 van de Wvg verleende bevoegdheid en niet ook, zoals appellanten menen, op het vestigen van het voorkeursrecht zelf, dat in dit geding aan de orde is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat de gemeenteraad belang had bij het vestigen van het voorkeursrecht.

2.2.2.    De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het feit dat de financiële schade die appellanten - mogelijk - lijden door het vestigen van het voorkeursrecht, omdat zij de percelen niet vrijelijk kunnen verkopen, naar vaste jurisprudentie van de Afdeling door de wetgever reeds is gewogen en bij de vestiging van een voorkeursrecht door de raad niet meer bij de belangenafweging behoeft te worden betrokken.

   Uit hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht, is de Afdeling voorts niet gebleken van andere dan financiële belangen en er is dan ook geen grond voor het oordeel dat ten onrechte aan de individuele belangen van appellanten voorbij is gegaan. De Afdeling tekent hierbij aan dat de door appellanten gestelde onduidelijkheid omtrent de ontwikkelingsmogelijkheden van hun gronden niet een gevolg is van de vestiging van het voorkeursrecht, maar van de lange duur van de bestemmingsplanprocedure, die hier niet aan de orde is.

Wat betreft de verwijzing door appellanten naar de uitspraak van de rechtbank van 16 juni 2005, AWB 03/942 overweegt de Afdeling dat ten aanzien van de onderhavige percelen, anders dan ten aanzien van de percelen waarop die uitspraak betrekking heeft, concreet kan worden vastgesteld dat sprake is van afwijkend gebruik in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wvg. Er is geen grond voor het oordeel dat sprake is van gelijke gevallen.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006.

176-440.