Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200504053/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2002, voorzover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) een verzoek van appellante om schadevergoeding wegens waardedaling van een onroerende zaak, als gevolg van werkzaamheden aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504053/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/342 BELEI van de rechtbank Maastricht van 31 maart 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2002, voorzover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) een verzoek van appellante om schadevergoeding wegens waardedaling van een onroerende zaak, als gevolg van werkzaamheden aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2005, verzonden op 1 april 2005, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door J.L.P. Heijboer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante stelt dat het voorheen aan haar toebehorende hotel-café aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) in waarde is gedaald als gevolg van drie in 1998 en 1999 genomen verkeersbesluiten, omdat daardoor de functie van de [locatie] is gewijzigd van hoofdontsluitingsweg in wijkontsluitingsweg. Daartoe voert zij aan dat zij het pand in mei 2000 voor een bedrag van ƒ 430.000,00 (€ 195.125,49) heeft verkocht en dat, indien de Schaesbergerweg niet verkeersluw zou zijn gemaakt, de verkoopprijs ƒ 570.000,00 (€ 258.654,72) zou zijn geweest, gelet op de toendertijd in het algemeen sterk stijgende prijzen op de huizenmarkt.

2.2.    Appellante betoogt in hoger beroep allereerst dat de rechtbank de door haar bij brief van 2 februari 2005 overgelegde WOZ-beschikking van 3 april 2004 met peildatum 1 januari 1999 (hierna: de WOZ-beschikking) ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

2.2.1.    Dat betoog slaagt. De rechtbank heeft de beschikking buiten beschouwing gelaten, omdat deze redelijkerwijs in een eerder stadium had kunnen worden aangevoerd. Vastgesteld wordt dat de beschikking dateert van na de beslissing op bezwaar van 13 januari 2004, zodat appellante buiten staat was deze reeds in de bezwaarfase te overleggen. Appellante heeft de WOZ-beschikking verder binnen de termijn, genoemd in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Gelet hierop, en nu de beschikking dient ter adstructie van haar betoog dat zij schade heeft geleden in de vorm van waardevermindering van haar hotel-café als gevolg van de verkeersbesluiten, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank de beschikking ten onrechte niet bij haar beoordeling heeft betrokken.  

2.2.2.    Het hoger beroep is gegrond. Gelet op het navolgende ziet de Afdeling om proceseconomische redenen af van vernietiging en terugwijzing van de aangevallen uitspraak.

2.3.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het taxatierapport van Houdringe Rentmeesterskantoor van 3 november 2000 (hierna: het taxatierapport Houdringe) onjuist is en derhalve ten onrechte door het college aan de bij besluit van 13 januari 2004 gehandhaafde afwijzing van het verzoek ten grondslag is gelegd.

2.3.1.       Het taxatierapport Houdringe gaat ervan uit dat het zeer wel mogelijk is dat de (hoogste) waarde van de onroerende zaak wordt bepaald door alternatieve aanwendingsmogelijkheden, zoals gebruik van het pand ten behoeve van wonen, en niet door het gebruik als hotel-café. Voor de waarde van het pand met een woonfunctie is het verkeersluw maken van de [locatie] eerder een positieve dan een negatieve factor. De waarde zal dan tenminste ƒ 450.000,00 (€ 204201,1) bedragen en derhalve niet of niet noemenswaardig afwijken van de getaxeerde waarde van het pand van voor de verkeersbesluiten, welke waarde eveneens op ƒ 450.000,00 (€ 204201,1) is geschat. Indien het pand bij verkoop de functie van hotel-café zal behouden, zal de waarde niet beneden de ƒ 400.000,00 (€ 181512,09) dalen, aldus Houdringe, waarbij de hoogte van de omzet buiten beschouwing is gelaten. Nu de waarde van het pand met woonfunctie na de verkeersbesluiten tenminste gelijk is aan de waarde van het pand van voor de verkeersbesluiten, is er geen reden de door appellante gestelde schade te vergoeden.  

2.3.2.    Appellante heeft in hoger beroep  onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het taxatierapport Houdringe aan de gehandhaafde afwijzing van het verzoek ten grondslag heeft mogen leggen. Zij heeft de aanname van het taxatierapport Houdringe, dat de waarde van het pand na de verkeersbesluiten wordt bepaald door gebruik ten behoeve van wonen, niet bestreden. In het pand zijn thans appartementen gevestigd. Voorts heeft appellante haar stelling dat de waarde van het pand ƒ 570.000,00 (€ 258.654,72) zou zijn geweest, indien de [locatie] niet verkeersluw zou zijn gemaakt, niet onderbouwd. De enkele verwijzing naar algemene prijsstijgingen op de huizenmarkt is daartoe onvoldoende. Bovendien is de door appellante gestelde waarde onaannemelijk in het licht van het door haar zelf overgelegde taxatierapport van 29 november 1999, waarin de waarde van de onroerende zaak per 26 november 1999 is getaxeerd op ƒ 225.00,00 (€ 10210,05). Ten slotte neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de WOZ-beschikking van 3 april 2004, waarin de waarde van het pand is geschat op € 246.292,00, niet kan worden afgeleid welke situatie aan de waardevaststelling ten grondslag heeft gelegen. Gelet op het moment van waardevaststelling kan niet worden uitgesloten dat de taxatie is gebaseerd op de situatie waarin de verkeersbesluiten reeds waren geëffectueerd en het pand al een woonfunctie had gekregen. Hierin is aanleiding aan de WOZ-beschikking geen doorslaggevend gewicht toe te kennen.

2.3.3.    De slotsom is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verkeersbesluiten strekkende tot het verkeersluw maken van de [locatie] tot waardevermindering van de onroerende zaak hebben geleid.

2.4.    De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop deze rust.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Planken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

299.