Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200505013/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vergunning verleend voor het exploiteren van een seksinrichting in de vorm van een erotische massagesalon aan de [locatie] te Boxtel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505013/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats] op Malta,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2470 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 maart 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vergunning verleend voor het exploiteren van een seksinrichting in de vorm van een erotische massagesalon aan de [locatie] te Boxtel.

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2005, verzonden op 4 mei 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 13 juli 2005 heeft de vergunninghoudster, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2005, waar appellant in persoon vergezeld van zijn [zoon], bijgestaan door mr. drs. D.A.C. Janssen, advocaat te Boxtel, en het college, vertegenwoordigd door A. Hardebol, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is namens vergunninghoudster mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Eindhoven, verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.    De rechtbank heeft overwogen dat appellant reeds geruime tijd voorafgaand aan het bestreden besluit van 7 juli 2004 is verhuisd naar Malta, zodat de erotische massagesalon zich niet in het gezichtsveld, dan wel in de woon- en leefomgeving van appellant en zijn gezin bevindt. In zoverre kan, naar het oordeel van de rechtbank, appellant niet als belanghebbende worden aangemerkt.

   Voorts heeft de rechtbank overwogen dat eventuele waardevermindering van de tegenover de massagesalon gelegen panden [locaties] een belang betreft van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die deze panden in eigendom heeft en beheert, zodat appellant niet rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen en derhalve ook in die zin niet als belanghebbende is aan te merken. Los daarvan heeft de rechtbank in twijfel gesteld dat de waardevermindering van deze panden wordt veroorzaakt door de massagesalon.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij tezamen met zijn echtgenote eigenaar is van de panden [locaties] te Boxtel. Deze panden zijn niet verhuurd en dienen als verblijf, indien appellant, die op Malta woont, in Nederland verblijft. Appellant is gebruiker van deze panden in de zin van de onroerendezaakbelasting. Dit brengt met zich dat hij belanghebbende is, omdat hij een eigen zich in voldoende mate onderscheidend belang heeft, aldus appellant.

   Met verwijzing naar uitspraken van de Afdeling betreffende monumentenvergunningen betoogt appellant dat de eigenaar, zelfs als deze geen gebruiker is, belanghebbende is in verband met de ruimtelijke uitstraling van de vergunde werkzaamheden. Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat in dit geval van de verleende exploitatievergunning ook een ruimtelijke uitstraling uitgaat.

2.4.    Ter zitting is vastgesteld dat de panden [locaties] zich bevinden op een afstand van ongeveer 30 meter van de seksinrichting. Gelet op het aan het hoger-beroepschrift gehechte kadastrale uittreksel stelt de Afdeling vast dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, appellant mede-eigenaar is van deze panden.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 14 augustus 2002 in zaak no. 200200410/1 (AB 2002, 394) dient een persoon, om als belanghebbende in de zin van de wet te kunnen worden aangemerkt, een hem persoonlijk aangaand belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. De Afdeling acht in dit geval het enkele feit dat appellant eigenaar is van panden gelegen in de straat waar de seksinrichting is gevestigd, in de onmiddellijke nabijheid daarvan, voldoende om hem aan te merken als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb. Hieraan doet niet af dat appellant in het buitenland woont en slechts af en toe op de [locatie] te Boxtel verblijft.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. In aanmerking genomen dat de rechtbank het geschil niet inhoudelijk heeft beoordeeld, wijst de Afdeling de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State terug naar de rechtbank.

2.6.    De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskosten in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank die ook over deze  proceskosten zal dienen te oordelen.

2.7.    Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 maart 2005, AWB 04/2470;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    stelt de door [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 677,94 (zegge: zeshonderdzevenenzeventig euro en vierennegentig eurocent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

V.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderd zeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006.

176-497.