Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200500950/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan appellante met vrijstelling bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een propaanopslagtank op het perceel Lage Bergweg 31 te Beekbergen (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 20
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.18
Wet milieubeheer 20.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 46 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Milieurecht Totaal 2006/4348
JB 2006/74
JOM 2007/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500950/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij Landgoed De Valouwe B.V., gevestigd te Apeldoorn,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/600 van de rechtbank Zutphen van 21 december 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan appellante met vrijstelling bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een propaanopslagtank op het perceel Lage Bergweg 31 te Beekbergen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 oktober 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 november 2002 heeft de rechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Bij uitspraak van 9 juli 2003 in zaak no. 200206740/1 heeft de Afdeling het daartegen door het college ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het college het door appellante gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2004, verzonden op 23 december 2004, heeft de rechtbank het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 31 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D.A.J.M. Melchers, advocaat te Arnhem, en C.T.J. van Baak en C.J. Griesdoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.D.G. Visser en M. Bomhof, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ten tijde van de beslissing op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" rust op het perceel de bestemming "Bos- en natuurgebied". Niet in geschil is dat het bouwplan voor de propaanopslagtank daarmee in strijd is.

    Vaststaat dat de propaanopslagtank, gezien de afmetingen, in aanmerking komt voor vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder c, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985.

2.2.    De bescherming van het milieu tegen hinder die gepaard gaat met het uitoefenen van een activiteit waarop de vrijstelling ziet, betreft een aspect waarvan de beoordeling primair plaats dient te vinden in het kader van de Wet milieubeheer. Voor het oordeel dat het bevoegde bestuursorgaan in redelijkheid heeft kunnen weigeren met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen kan aanleiding bestaan indien ernstig moet worden betwijfeld dat voor de beoogde activiteit een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kan worden verleend of dat naleving mogelijk is van regels die bij algemene maatregel van bestuur krachtens die wet zijn gesteld.

2.3.    Niet in geschil is dat ten tijde van de beslissing op bezwaar voor de propaangastank een milieuvergunning was vereist nu deze tank - gelet op de omvang daarvan - niet onder de werking van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer valt en aldus niet met een melding conform dit Besluit kon worden volstaan.

2.4.    Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, sub a, van de Wet milieubeheer, vervalt een vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

    Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer, voorzover thans van belang, treedt een besluit - waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet - niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.

2.5.    Appellante betoogt dat het college ten onrechte aan de weigering vrijstelling te verlenen mede ten grondslag heeft gelegd dat de op 28 oktober 1998 verleende milieuvergunning, voorzover dit de propaangastank betreft, op grond van artikel 8.18 van de Wet milieubeheer van rechtswege is vervallen. Hiertoe voert zij aan dat de milieuvergunning niet in werking heeft kunnen treden wegens de weigerachtige houding van het college bouwvergunning te verlenen voor de propaangastank, hetgeen voor haar zodanige consequenties heeft dat aan toepassing van artikel 8.18 van de Wet milieubeheer niet kan worden toegekomen.

2.5.1.    Dit betoog faalt. De in artikel 8.18 van de Wet milieubeheer genoemde drie jarentermijn vangt aan bij het onherroepelijk worden van de vergunning en niet bij de inwerkingtreding van de vergunning. Uit de stukken blijkt dat de vergunning van 28 oktober 1998, bekend gemaakt en ter inzage gelegd op 30 oktober 1998 door het ongebruikt verstrijken van de beroepstermijn op 12 december 1998 onherroepelijk is geworden, zodat evenbedoelde drie jarentermijn op 12 december 2001 was verstreken. Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan niet leiden tot het buiten toepassing laten van voormelde wettelijke bepalingen, nog daargelaten dat appellante eerst op 15 juli 2000 een aanvraag tot het verlenen van een bouwvergunning voor de propaangastank heeft ingediend. Dit leidt tot het oordeel dat de milieuvergunning, voorzover deze de propaangastank betreft, ten tijde van de bestreden beslissing op bezwaar was vervallen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

   Het betoog van appellante, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 18 april 1996 in zaak nr. E03.95.0700, dat de propaangastank moet worden aangemerkt als een voorziening binnen de inrichting, waarvan het niet realiseren niet kan leiden tot de vervallenverklaring van de milieuvergunning voor wat betreft deze tank, kan evenmin slagen. De propaangastank kan niet worden aangemerkt als een voorziening als bedoeld in deze uitspraak, mede gelet op de omstandigheid dat deze tank ook zelfstandig vergunningplichtig is. Voorts kan een propaangastank van 18 m3, zoals hiervoor reeds is overwogen, evenmin als een voorziening als bedoeld in het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer worden aangemerkt.

2.6.    Voorts betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college door toetsing aan de Integrale nota LPG tot weigering van de vrijstelling heeft kunnen komen.

2.6.1.    De beleidsvrijheid die het college heeft bij het al dan niet verlenen van een vrijstelling heeft hij ingevuld door zijn beoordeling te baseren op de Integrale nota LPG en de richtlijn 11-3 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (hierna: CPR 11-3). Nu CPR 11-3 slechts richtlijnen geeft over aan te houden afstanden binnen een inrichting is er geen grond voor het oordeel dat het college bij de invulling van zijn bevoegdheid op grond van artikel 19 van de WRO niet heeft kunnen aansluiten bij de afstandseisen zoals neergelegd in de Integrale nota LPG. In deze nota is opgenomen dat de aan te houden minimumafstand van de propaangastank tot woonbebouwing en incidentele bebouwing 70 meter dient te bedragen en de afstand van de tankauto/het vulpunt tot deze bebouwing 80 meter. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zich binnen deze afstand zodanige bebouwing bevindt, waardoor het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat realisatie van het bouwplan in strijd zou komen met de in de Integrale nota LPG neergelegde afstandsvereisten.

2.6.2.    Ter zitting heeft het college aangegeven dat bij het verlenen van de milieuvergunning van 28 oktober 1998 ten onrechte niet is getoetst aan de Integrale nota LPG en dat de milieuvergunning in dat opzicht destijds ten onrechte is verleend. In zoverre is het betoog gericht tegen de overweging van de rechtbank omtrent paragraaf 14.1.1 van de voorschriften van de milieuvergunning terecht naar voren gebracht. Dit geeft echter geen grond voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van de aanvraag om het verlenen van een bouwvergunning voor de propaangastank niet aan de Integrale nota LPG kon toetsen. Het betoog kan dan ook niet tot het daarmee beoogde resultaat leiden.

2.7.    Nu ernstig moet worden betwijfeld dat, gelet op de afstandsnormen zoals neergelegd in de Integrale nota LPG, voor de propaangastank een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kan worden verleend moet worden geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren met toepassing van artikel 19 van de WRO ten behoeve van het bouwplan vrijstelling te verlenen.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

66-444.