Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200503334/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2005, kenmerk Wm 123-03, heeft verweerder aan appellante een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de overslag van distributiegoederen op het perceel Zilverenberg 5 te 's-Hertogenbosch. Dit besluit is op 6 maart 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2006/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503334/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Van Gend & Loos B.V.", gevestigd te Houten,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2005, kenmerk Wm 123-03, heeft verweerder aan appellante een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de overslag van distributiegoederen op het perceel Zilverenberg 5 te 's-Hertogenbosch. Dit besluit is op 6 maart 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2005, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 september 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. van den Eertwegh, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit voor 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Ter zitting heeft appellante haar beroep, voor zover dit betrekking heeft op de aan de vergunning verbonden voorschriften 4.2.4 en 4.2.5 ingetrokken.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat voor 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel  8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellante heeft bezwaren aangevoerd die betrekking hebben op de aanwezigheid van een milieuzorgsysteem binnen de inrichting. Deze bezwaren richten zich niet tegen concrete voorschriften, maar tegen overwegingen van verweerder in de considerans van het bestreden besluit. Appellante heeft verder bezwaren aangevoerd tegen de toelichting bij het aan de vergunning verbonden voorschrift 8.2.1. De overwegingen van een besluit en de toelichting bij een voorschrift roepen op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven. Het beroep kan naar het oordeel van de Afdeling in zoverre niet slagen.

2.5.    Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 4.2.1 tot en met 4.2.3, in welke voorschriften onder meer is bepaald dat de wasplaats moet zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer. Volgens appellante is deze verplichting onnodig bezwarend, nu de voertuigen door een derde worden gewassen op een mobiele wasplaats. Appellante betoogt dat de voorschriften niet zijn toegesneden op het gebruik van een mobiele wasplaats. Zij stelt verder dat deze verplichting in vergelijkbare gevallen niet wordt opgelegd.

2.5.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vloer van de mobiele wasplaats kwetsbaar is voor schade die door scherpe voorwerpen kan worden toegebracht. Voorts stelt hij dat geen PBV-Verklaring Vloeistofdichte Voorziening (hierna: de PBV-verklaring) is afgegeven voor de onderhavige wasplaats. Hij acht het daarom noodzakelijk dat appellante ter bescherming van de bodem een vloeistofdichte vloer aanlegt.

2.5.2.    Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.2.1, voor zover hier van belang, dient de vloer ter plaatse van een wasplaats vloeistofdicht te zijn uitgevoerd.

   Ingevolge voorschrift 4.2.2 dient de vloeistofdichte vloer van de wasplaats aan alle zijden zodanig te zijn begrensd dat geen vloeistof van het vloeistofdichte vloergedeelte kan aflopen anders dan naar de bedrijfsriolering die op het vloeistofdichte vloergedeelte is aangesloten.

   Ingevolge voorschrift 4.2.3, voor zover hier van belang, behoort de riolering bestemd voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanaf de wasplaats tot en met de monsternameput voorbij de olie-afscheider vloeistofdicht te zijn uitgevoerd.

2.5.3.    Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder bij het voorschrijven van bodembeschermende voorzieningen aansluiting gezocht bij de uitgangspunten van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, juli 2001. Hierin is als uitgangspunt vermeld dat bij bedrijfsmatige bodembedreigende activiteiten, waarvan hier sprake is, door het aanleggen van voorzieningen en het treffen van maatregelen een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging moet worden gehaald. Ten aanzien van de vergunde wasplaats kan een verwaarloosbaar risico worden bereikt door onder meer de aanleg van een vloeistofdichte opvangvoorziening met een PBV-Verklaring.

2.5.4.    De mobiele wasplaats zal op het terrein van de inrichting worden aangelegd en bestaat uit een wasvloer van dubbellaags materiaal, voorzien van een wapening. De opstaande randen van de vloer zijn blijkens het verhandelde ter zitting van hard foam. Appellante heeft een PBV-verklaring overgelegd; het is echter onduidelijk of deze verklaring op de in geding zijnde mobiele wasplaats ziet. Voorts heeft appellante onweersproken aangevoerd dat in een aantal andere gemeenten de onderhavige mobiele wasplaats wél zonder nadere eisen is geaccepteerd. De Afdeling is van oordeel dat verweerder duidelijkheid had moeten verkrijgen over de vloeistofdichtheid van de in geding zijnde wasplaats en over de vraag voor welke installatie de PBV-Verklaring was afgegeven, alvorens kon worden beoordeeld in hoeverre aanvullende voorzieningen noodzakelijk waren. Niet gebleken is dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft zijn stelling dat de vloer van de mobiele wasplaats kwetsbaar is voor schade niet nader gemotiveerd. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit, wat de voorschriften 4.2.1 tot en met 4.2.3 betreft, genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en berust het voorts niet op een deugdelijke motivering, zodat het strijdt met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6.    Appellante heeft bezwaar tegen de aan de vergunning verbonden voorschriften 7.1.1 en 7.1.2, waarin de verplichting is opgenomen om een energiebesparingsonderzoek uit te voeren. Appellante stelt dat deze verplichting overbodig is, aangezien zij bij de aanvraag reeds een energiebesparingsonderzoek heeft overgelegd. Voorts kan volgens haar worden aangesloten bij het door haar gehanteerde milieuzorgsysteem. Zij is van mening dat het voorgeschreven energiebesparingsonderzoek gelet op de omvang van haar inrichting te gedetailleerd is. Zij wijst er verder op dat het door haar overgelegde onderzoek voor andere vestigingen van haar bedrijf wel wordt geaccepteerd, zodat deze voorschriften volgens haar in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel.

2.6.1.    Ingevolge voorschrift 7.1.1, voor zover hier van belang, dient een energiebesparingsonderzoek ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. Het onderzoek dient ten minste betrekking te hebben op elektriciteit en aardgas.

   In voorschrift 7.1.2 zijn de gegevens vermeld die in ieder geval in het energiebesparingsonderzoek dienen te worden opgenomen.

2.6.2.    Verweerder heeft bij het vaststellen van de aan de vergunning verbonden energievoorschriften de circulaire "Energie in de milieuvergunning" van oktober 1999 (hierna: de circulaire) gehanteerd. In deze circulaire wordt voor het voorschrijven van energievoorschriften een ondergrens gehanteerd van 25.000 m³ aardgas of 50.000 kWh elektriciteit per jaar. Als het energiegebruik lager is dan deze ondergrens wordt geadviseerd geen energievoorschriften in de vergunning op te nemen. Uit de stukken blijkt dat het gasverbruik van de onderhavige inrichting circa 30.000 m³ per jaar bedraagt en dat het elektriciteitsverbruik circa 640.000 kWh per jaar bedraagt. Dit betekent een overschrijding van de ondergrenzen uit de circulaire. De Afdeling stelt vast dat de door appellante overgelegde energiescan niet voldoet aan alle in voorschrift 7.1.2 gestelde eisen. Gelet op het door verweerder gekozen toetsingskader is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften 7.1.1 en 7.1.2 nodig zijn ter bescherming van het milieu. Het betoog van appellante dat zij beschikt over een gecertificeerd milieuzorgsysteem maakt dit niet anders, nu hierover in de aanvraag slechts wordt vermeld dat men in afwachting is van de rapportage en het certificaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.7.    Appellante stelt tot slot dat verweerder de aan de vergunning verbonden voorschriften 9.1.1 en 9.1.2 niet heeft aangepast naar aanleiding van haar bedenkingen. In de bedenkingen heeft zij aangevoerd dat de in de voorschriften 9.1.1 en 9.1.2 gestelde geluidgrenswaarden op de controlepunten 1 en 6 niet overeenkomen met de in het akoestisch onderzoek berekende geluidbelasting.

2.7.1.    In voorschrift 9.1.1 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) vanwege de activiteiten van de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie op controlepunt 6 (rekenpositie 9) niet meer mag bedragen dan 45 dB(A) in de dagperiode.

   In voorschrift 9.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT), vanwege de activiteiten van de inrichting gedurende de regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie op controlepunt 1 (rekenpositie 4) niet meer mag bedragen dan 36 dB(A) in de dagperiode.

2.7.2.    Uit de bij het aanvullend akoestisch rapport van 18 februari 2003, nummer F 15870-1-BR, opgesteld door Adviesbureau Peutz & Associés B.V., behorende rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting op controlepunt 6 (rekenpositie 9) 46 dB(A) bedraagt in de dagperiode gedurende de representatieve bedrijfssituatie. De geluidbelasting op controlepunt 1 (rekenpositie 4) bedraagt volgens deze gegevens 37 dB(A) in de dagperiode gedurende de regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie. De Afdeling stelt vast dat de berekende geluidbelasting op de genoemde controlepunten hoger is dan de gestelde geluidgrenswaarden. Derhalve is niet zeker of de voor de genoemde controlepunten gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Nu verweerder heeft nagelaten hiernaar onderzoek te verrichten is het bestreden besluit, wat de voorschriften 9.1.1 en 9.1.2 betreft, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.

2.8.    Gelet op het voorgaande is het beroep gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de voorschriften 4.2.1, 4.2.2, 4.2.3, 9.1.1 en 9.1.2.

2.9.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 25 februari 2005, kenmerk Wm 123-03, voor zover het de voorschriften 4.2.1, 4.2.2, 4.2.3, 9.1.1 en 9.1.2 betreft;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Fransen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

407.