Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200505843/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2004 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Bos en Lommer van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 20 augustus 2004, het bestemmingsplan "Buskenblaserstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505843/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2004 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Bos en Lommer van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 20 augustus 2004, het bestemmingsplan "Buskenblaserstraat" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 april 2005, kenmerk 2004-46603, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De vereniging "Algemene Woningbouwvereniging Amsterdam" (hierna: AWV) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Deltaforte B.V. Projectmanagement" (hierna: Deltaforte) hebben te kennen gegeven als partij te willen deelnemen aan het geding. Zij zijn daartoe op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2006, waar appellant in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en mr. K.J.T.M. Hehenkamp, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de stadsdeelraad van Bos en Lommer, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en mr. J.P. de Vries, ambtenaar van de gemeente, alsmede AWV en Deltaforte, beide vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Amsterdam, en mr. D.A.I. Tamsma.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    De Afdeling verstaat het beroep van appellant aldus dat dit is gericht tegen de goedkeuring van alle plandelen alsmede de zinsnedes "en bergingen ten dienste van de woningen" in de artikelen 4, eerste lid, onder C, en 5, eerste lid, onder C, van de planvoorschriften.

2.2.1.    Appellant heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan bij de stadsdeelraad ingebracht. Hij heeft wel bedenkingen bij verweerder ingebracht.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de stadsdeelraad heeft ingebracht.

   Dit is slechts anders voor zover de stadsdeelraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

2.2.2.    De stadsdeelraad heeft het plan ten opzichte van het ontwerp gewijzigd vastgesteld. Hij heeft daarbij op de plankaart twee stroken gronden met de bestemming "Tuinen (T)" met een diepte van 1,8 meter gewijzigd in de bestemmingen "Centrumdoeleinden I (CI)" en "Centrumdoeleinden II (CII)". Wat betreft de planvoorschriften heeft hij bij de vaststelling onder meer de zinsnedes "en bergingen ten dienste van de woningen" aan de artikelen 4, eerste lid, onder C, en 5, eerste lid, onder C, toegevoegd.

   Het besluit van verweerder strekt niet tot (gedeeltelijke) onthouding van goedkeuring.

   In de door appellant gestelde omstandigheid dat in de publicaties van de terinzagelegging van het ontwerpplan is vermeld dat een zienswijze omtrent het bestemmingsplan in plaats van het ontwerpbestemmingsplan kenbaar gemaakt kon worden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. In de kop van de publicaties is duidelijk vermeld dat de terinzagelegging een ontwerpbestemmingsplan betreft. Ook uit de tekst kan vervolgens niet anders worden afgeleid dan dat het hier een nieuw op te stellen bestemmingsplan betreft waaromtrent zienswijzen kunnen worden kenbaar gemaakt.

   Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant alleen ontvankelijk is te achten voor zover dit zich richt op plan(onder)delen die ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd zijn vastgesteld. Om voormelde reden zullen ook nog slechts die formele bezwaren worden beoordeeld welke niet reeds bij wijze van afzonderlijke beroepsgrond als zienswijze bij de stadsdeelraad hadden moeten worden ingebracht.

2.2.3.    Gelet op het vorenstaande is het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit zich richt op andere plandelen dan die waaraan bij de vaststelling van het plan in plaats van de bestemming "Tuinen (T)" de bestemmingen "Centrumdoeleinden I (CI)" en "Centrumdoeleinden II (CII)" zijn toegekend.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.4.    Het plan maakt in het kader van de stedelijke vernieuwing rond het Bos en Lommerplein sloop van bestaande bebouwing en oprichting van nieuwbouw mogelijk. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door het Bos en Lommerplein, aan de westzijde door de Hoofdweg, aan de zuidzijde door de Erasmusgracht en aan de oostzijde door de Elckerlijcstraat.

Procedurele aspecten

2.5.    Appellant stelt in beroep dat het ontwerpplan één of twee dagen te kort ter inzage heeft gelegen. Hij gaat er daarbij van uit dat de aanvang van de terinzagelegging moet worden gesteld op 18 juni 2004.

2.5.1.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de WRO is op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat het ontwerp gedurende vier weken ter inzage ligt gedurende welke periode het ontwerp tevens desgevraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren kan worden ingezien.

2.5.2.    Het ontwerpplan is op 17 juni 2004 voor vier weken ter inzage gelegd. Dit betekent dat, anders dan appellant veronderstelt, reeds met ingang van 17 juni 2004 en tot en met 14 juli 2004 zienswijzen konden worden ingebracht. Niet is gebleken dat het ontwerpplan niet gedurende deze periode ter inzage heeft gelegen. Het beroep faalt derhalve op dit punt.

2.6.    Appellant stelt voorts in beroep dat de in artikel 25 van de WRO vermelde termijn van vier maanden is overschreden.

2.6.1.    Ingevolge artikel 25 van de WRO beslist de gemeenteraad binnen acht weken of, indien over het ontwerp tijdig een zienswijze kenbaar is gemaakt, binnen vier maanden na afloop van de in artikel 23 van de WRO genoemde termijn omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. De in artikel 23 van de WRO bedoelde termijn ziet op de periode van vier weken dat het ontwerpplan ter inzage wordt gelegd.

2.6.2.    Zoals in 2.5.2. is vermeld, is de termijn van terinzageligging van het ontwerpplan geëindigd op 14 juli 2004. Er zijn ten aanzien van het ontwerpplan zienswijzen kenbaar gemaakt. De stadsdeelraad heeft het bestemmingsplan op 29 september 2004 vastgesteld. De in artikel 25 van de WRO gestelde termijn van vier maanden is daarmee niet overschreden. Het beroep mist derhalve op dit punt feitelijke grondslag.

2.7.    Appellant stelt verder in beroep dat het bestemmingsplan ten onrechte niet binnen vier weken na dagtekening van het besluit van de stadsdeelraad ter inzage is gelegd. Het vastgestelde plan heeft volgens hem bij de eerste tervisielegging minimaal één dag te kort ter inzage gelegen. Ook hebben het vastgestelde plan en de bijbehorende stukken bij de tweede tervisielegging volgens hem gedurende zeven dagen niet ter inzage gelegen. Hij geeft aan de stukken op 13 januari 2005 en op 27 januari 2005 te hebben ingezien. Ook bleek volgens hem dat de afdeling Publieksdienstverlening slechts geopend was tussen negen en elf uur 's ochtends, terwijl in de publicatie was vermeld dat de terinzagelegging tijdens kantooruren zou plaatsvinden. Ten slotte heeft de gekleurde plankaart ten onrechte niet ter inzage gelegen, aldus appellant.

2.7.1.    Ingevolge artikel 26 van de WRO wordt het bestemmingsplan zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van vier weken.

2.7.2.    Het bestemmingsplan is op 29 september 2004 vastgesteld. Het is vervolgens op 21 oktober 2004, derhalve binnen vier weken na vaststelling, ter inzage gelegd. Dat het plan in verband met een onregelmatigheid in de publicaties ten aanzien van de kring van personen die bedenkingen kunnen indienen op 6 januari 2005, derhalve na vier weken na vaststelling, wederom ter inzage is gelegd, doet er niet aan af dat het plan tijdig ter inzage is gelegd. Voorts is aan een overschrijding van deze in artikel 26 van de WRO bedoelde termijn niet het gevolg verbonden dat om die reden goedkeuring aan het plan zou moeten worden onthouden.

2.7.3.    Niet is gebleken dat het vastgestelde plan de eerste keer te kort ter inzage heeft gelegen. Appellant gaat er ten onrechte van uit dat "vanaf 21 oktober 2004" aldus moet worden gelezen dat de terinzagelegging plaatsvindt met ingang van 22 oktober 2004.

2.7.4.    In de publicaties van de tweede terinzagelegging van het vastgestelde plan is vermeld dat de beide kantoren waar de terinzagelegging zou plaatsvinden, tot 14 januari 2005 geopend zijn. Voorts is vermeld dat de stukken vanaf 17 januari 2005 in het nieuwe stadsdeelkantoor bij de afdeling Publieksdienstverlening tijdens kantooruren ter inzage liggen.

   Uit deze publicaties kan niet anders worden afgeleid dan dat kennisneming van de ter inzage gelegde stukken op vrijdag 14 januari 2005 niet mogelijk was. Voorts volgt uit andere publicaties dat het stadsdeelkantoor op 17 januari 2005 vanwege de verhuizing gesloten was en dat de afdeling Publieksdienstverlening vanaf 19 januari 2005 geopend was. Hieruit volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat inzage niet mogelijk is geweest op 14, 17 en 18 januari 2005. Dat kennisneming op 18 januari 2005 feitelijk wel mogelijk is geweest, zoals verweerder stelt, doet, wat daar ook van zij, aan het vorenstaande niet af.

   Uit hetgeen appellant heeft gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat kennisneming op de in de publicaties vermelde plaatsen ook op andere dagen van de termijn van de tweede terinzageligging niet mogelijk is geweest.

   Onder voornoemde omstandigheden ziet de Afdeling in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder om de reden dat kennisneming van de ter inzage gelegde stukken gedurende drie dagen van de inzagetermijn niet mogelijk is geweest, aan het plan goedkeuring had moeten onthouden. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat het plan reeds eerder ter inzage heeft gelegen en aan de omstandigheid dat de onmogelijkheid het plan in te zien zich heeft voorgedaan halverwege de periode van terinzageligging en niet gedurende de laatste dagen van deze periode. Ook is niet gebleken dat appellant door voornoemde omstandigheden in zijn belangen is geschaad.

   Wat betreft de tijden waarop kennisneming van de ter inzage gelegde stukken mogelijk was is niet gebleken dat deze, zoals door appellant is gesteld, beperkt waren van negen tot elf uur 's ochtends.

2.7.5.    Wat betreft de plankaart overweegt de Afdeling dat het wellicht de voorkeur heeft deze in gekleurde vorm ter inzage te leggen, maar dat hiertoe geen wettelijke verplichting bestaat. Ook is niet gebleken dat de plankaart door het ontbreken van kleur onvoldoende duidelijk was.

2.7.6.    Gelet op het vorenstaande faalt het beroep op bovenvermelde punten.

2.8.    Appellant voert voorts bezwaren aan met betrekking tot het horen op 15 maart 2005 terzake van de door hem bij verweerder ingebrachte bedenkingen.

2.8.1.    Ingevolge artikel 27, derde lid, van de WRO stelt verweerder degenen die tijdig bedenkingen hebben ingebracht, in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting.

2.8.2.    De WRO stelt aan dit horen geen bijzondere vormvereisten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat hij niet overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de WRO in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren toe te lichten. Voorts is niet gebleken dat verweerder niet dan wel op onvolledige wijze van het verhandelde tijdens de hoorzitting kennis heeft kunnen nemen. Evenmin is gebleken dat op dit punt anderszins in strijd met de zorgvuldigheid is gehandeld.

   Het beroep slaagt derhalve in zoverre niet.

2.9.    Ter zitting heeft appellant gesteld dat verweerder buiten de wettelijke termijn van zes maanden over de goedkeuring heeft beslist. In dat verband stelt hij zich op het standpunt dat verweerder op het voorstel van het dagelijks bestuur van 20 augustus 2004 tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft beslist en niet op het vaststellingsbesluit van de stadsdeelraad van 29 september 2004. Voorts stelt appellant dat het bestreden besluit niet tijdig ter inzage is gelegd.

2.9.1.    Anders dan appellant stelt is niet gebleken dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet het vaststellingsbesluit van de stadsdeelraad als uitgangspunt heeft genomen. Zowel de plankaart als de planvoorschriften zijn gedateerd 29 september 2004 en zijn voorzien van een goedkeuringsstempel van verweerder. Ook volgt uit het bestreden besluit zelf dat dit ziet op het vaststellingsbesluit van 29 september 2004.

2.9.2.    Behoudens in het geval als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de WRO en in het geval dat geen bedenkingen zijn ingediend tegen het vastgestelde plan, welke gevallen zich hier niet voordoen, wordt ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 28, tweede lid, van de WRO, een besluit tot goedkeuring geacht te zijn genomen, indien binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzageligging van het vastgestelde plan geen besluit omtrent goedkeuring is bekendgemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen.

   Blijkens de stukken liep de termijn van terinzageligging van het vastgestelde plan af op 17 november 2004. Derhalve eindigde de bedoelde termijn voor bekendmaking van het besluit omtrent goedkeuring van dit plan op 17 mei 2005. Het besluit omtrent goedkeuring is op 2 mei 2005, derhalve tijdig binnen de termijn van zes maanden, aan de stadsdeelraad verzonden.

   Het beroep faalt in zoverre.

2.9.3.    Het bezwaar inzake het tijdstip van de terinzagelegging van het goedkeuringsbesluit heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het standpunt van appellant inzake de begrenzing van de plandelen met de bestemmingen "Centrumdoeleinden I (CI)" en "Centrumdoeleinden II (CII)"

2.10.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen, waaraan bij de vaststelling van het plan in plaats van de bestemming "Tuinen (T)" de bestemmingen "Centrumdoeleinden I (CI)" en "Centrumdoeleinden II (CII)" zijn toegekend.

2.10.1.    Hij voert aan dat de bestemmingsgrenzen ter plaatse bij de vaststelling van het plan zijn gewijzigd en niet zijn gekwantificeerd. Het plan geeft volgens hem op deze punten te veel vrijheid doordat niet duidelijk is waar de grenzen liggen. Daarbij wijst hij erop dat de plankaart ingevolge artikel 2, zesde lid, van de planvoorschriften een nauwkeurigheidsgraad van één meter heeft. Voorts wijst appellant erop dat de kaart met doorsneden enkele fouten bevat.

Het bestreden besluit

2.10.2.    Verweerder heeft geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd. De diepte van het bebouwingsvlak is volgens hem, mede gelet op de schaal van de plankaart van 1 op 1.000, voldoende duidelijk meetbaar.

Vaststelling van de feiten

2.10.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.4.    Uit de stukken blijkt dat de stadsdeelraad heeft besloten het plan op vorenbedoelde punten gewijzigd vast te stellen om meer ruimte te bieden voor bedrijfsruimten langs de Hoofdweg. Het vergroten van deze ruimten kan alleen op de eerste bouwlaag plaatsvinden zodat de gevolgen voor de achterliggende binnenterreinen volgens de stadsdeelraad gering zijn.

2.10.5.    Ingevolge artikel 2, zesde lid, van de planvoorschriften wordt bij de toepassing van de planvoorschriften de begrenzing van de onderscheidene bestemmingen gemeten door middel van meting op de plankaart met een nauwkeurigheidsgraad van één meter. Dit voorschrift is ten opzichte van het ontwerpplan ongewijzigd vastgesteld.

2.10.6.    De kaart met nummer BBS-BPdrsn01_290904 geeft op drie plaatsen doorsnedes aan met diverse maatvoeringen van hetgeen het plan mogelijk maakt. Niet in geding is dat een aantal getallen op deze kaart onjuist is.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.7.    De vorenbedoelde wijzigingen zijn verwerkt op de plankaart. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel de ligging van de bestemmingsvlakken op de plankaart onduidelijk of anderszins rechtsonzeker te achten. Daarbij overweegt zij dat er geen verplichting bestaat de diepte van de bestemmingsvlakken op de plankaart in cijfers te vermelden. Hetgeen in artikel 2, zesde lid, van de planvoorschriften is vermeld, doet aan het vorenstaande niet aan af.

2.10.8.    In de planvoorschriften noch op de plankaart is vermeld dat de kaart met nummer BBS-BPdrsn01_290904 deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Aan deze kaart komt dan ook geen bindende betekenis toe. Andersluidende passages in de plantoelichting en op de kaart met nummer BBS-BPdrsn01_290904 zelf maken dit niet anders. In de omstandigheid dat ter plaatse van de doorsnedes A en B in beide gevallen ten onrechte 52 meter als totaalafstand is vermeld in plaats van respectievelijk 53,8 en 48,8 meter, kan dan ook geen grond worden gevonden voor het oordeel dat verweerder het plan in zoverre ten onrechte heeft goedgekeurd.

2.10.9.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen.

   Het beroep is op deze punten ongegrond.

Het standpunt van appellant inzake de bergingen

2.11.    Appellant stelt verder in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de zinsnedes "en bergingen ten dienste van de woningen" in de artikelen 4, eerste lid, onder C, en 5, eerste lid, onder C, van de planvoorschriften.

2.11.1.    Hij voert aan dat een parkeergarage dient voor het stallen van auto's en dat bergingen daar onder meer uit een oogpunt van brandrisico niet thuishoren.

Het bestreden besluit

2.11.2.    Verweerder heeft geen reden gezien de planvoorschriften op deze punten in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij stelt zich met de stadsdeelraad op het standpunt dat een bouwlaag gelijktijdig voor parkeervoorzieningen en bergingen gebruikt kan worden. Bij een bouwaanvraag zal de brandveiligheid worden getoetst, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.11.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.4.    De hiervoor vermelde zinsnedes zijn bij de vaststelling van het plan aan de voorschriften toegevoegd.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart bestemd voor "Centrumdoeleinden I (CI)" aangewezen:

A. wat betreft de eerste bouwlaag voor gebouwen ten dienste van detailhandel, horeca uit categorie III en IV uit de Staat van Horeca-activiteiten, consumentverzorgende dienstverlening, met dien verstande dat belhuizen niet zijn toegestaan alsmede maatschappelijke voorzieningen, een en ander met inbegrip van daarbij behorende kelders, bergingen en andere nevenruimten;

B. wat betreft de tweede bouwlaag en hoger voor gebouwen ten dienste van woningen met inbegrip van daarbij behorende bergingen en andere nevenruimten;

C. voor al dan niet gedeeltelijk ondergrondse gebouwde parkeervoorzieningen met inbegrip van daarbij behorende in- en uitritten, en bergingen ten dienste van de woningen.

   Artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften luidt voor de bestemming "Centrumdoeleinden II (CII)" dienovereenkomstig met dien verstande dat onder A ook bedrijven uit categorie I en II uit de Staat van Inrichtingen alsmede kantoren zijn toegelaten.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.5.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bergingen en parkeervoorzieningen op dezelfde bouwlaag mogelijk moeten kunnen worden geacht. Niet onjuist is het standpunt van verweerder dat bij de bouwvergunningverlening met eventuele risico's van brandgevaar rekening kan worden gehouden.

2.11.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de planvoorschriften.

   Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit zich richt op andere plandelen dan de plandelen, waaraan bij de vaststelling van het plan in plaats van de bestemming "Tuinen (T)" de bestemmingen "Centrumdoeleinden I (CI)" en "Centrumdoeleinden II (CII)" zijn toegekend;

II.    verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

371.