Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200505162/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) geweigerd gegevens ten behoeve van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens te ontlenen aan de door [appellant] overgelegde Indiase huwelijksakte.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2006/624
JV 2006/80 met annotatie van PB
JB 2006/75 met annotatie van EvdL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505162/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/442 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 juni 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) geweigerd gegevens ten behoeve van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens te ontlenen aan de door [appellant] overgelegde Indiase huwelijksakte.

Bij brief van 16 februari 2005 heeft het college het daartegen gerichte bezwaarschrift van appellant overeenkomstig diens verzoek met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) ter behandeling als beroepschrift.

Bij uitspraak van 1 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, is verschenen. Het college is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) zijn allen gelijk voor de wet en hebben allen zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

   Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

(…)

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

(…).

   Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend, voorzover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

2.2.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat hij niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de door hem overgelegde Indiase huwelijksakte dient te worden ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens omdat deze is gelegaliseerd. Hij voert aan dat de weigering het huwelijk in te schrijven in strijd is met het beginsel van verbod van détournement de pouvoir, omdat de bevoegdheid om inschrijving te weigeren het college niet gegeven is om inschrijving op grond van een gelegaliseerd document te weigeren.

   Dit betoog slaagt niet. Legalisatie van een document strekt slechts tot bevestiging van de formele echtheid ervan en biedt geen uitsluitsel omtrent de juistheid van de inhoud van het document. Voorts kunnen, zoals de Afdeling eerder overwogen in de uitspraak van 11 mei 2000, zaak no. 199900131/1, AB 2000, 305, negatieve ervaringen uit het verleden een benadering rechtvaardigen die uitgaat van twijfel aan de juistheid van overgelegde documenten. Dat de circulaire waarin het beleid van de Minister met betrekking tot de zogenoemde probleemlanden, waaronder India, was vastgelegd inmiddels is ingetrokken, vormt geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Immers, intrekking van het beleid is niet gebaseerd op gewijzigde inzichten of ervaringen met betrekking tot de betrouwbaarheid van documenten uit de betrokken landen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college op voorhand heeft mogen twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van de door appellant overgelegde akte. Nu het college ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA gehouden is te onderzoeken of de openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van het in de door appellant overgelegde akte vermelde huwelijk, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van détournement de pouvoir op de grond dat het college niet zonder meer is overgegaan tot registratie van het huwelijk van appellant op grond van die akte.

   Nu voorts op grond van eerdere ervaringen is vastgesteld dat India als probleemland op het gebied van schriftelijk bewijs moet worden aangemerkt en, zoals de Afdeling reeds meermalen heeft overwogen, de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar moeten zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn, is er een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor het door het college gemaakte onderscheid naar herkomst van het door appellant overgelegde document. Dat uit onderzoek is gebleken dat thans slechts een klein percentage van de uit India afkomstige documenten niet inhoudelijk juist zijn, leidt niet tot een ander oordeel nu appellant deze stelling niet met objectieve gegevens heeft gestaafd. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat van strijd met artikel 26 van het IVBPR geen sprake is.

2.3.    Voorts moet appellant weliswaar worden toegegeven dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn betoog over het gelijkheidsbeginsel, maar dit vormt geen aanleiding om tot vernietiging van de aangevallen uitspraak over te gaan. De door appellant aangevoerde gevallen zien immers op beslissingen van andere bestuursorganen, zodat, wat er zij van de vraag of die gevallen overigens vergelijkbaar zijn met dat van appellant, het gelijkheidsbeginsel niet van toepassing kan worden geacht.

2.4.     Appellant betoogt echter met succes dat de rechtbank onvoldoende heeft onderkend dat, nu door hem een gelegaliseerde akte is overgelegd, het college zelf nader onderzoek had moeten instellen.

   De twijfel van het college over de inhoudelijke juistheid van de overgelegde akte vormt op zichzelf onvoldoende grond om te weigeren om tot inschrijving van het huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie over te gaan. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het college niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht. Echter, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld valt niet in te zien dat het aan appellant is de inhoudelijke juistheid van de akte nader te onderbouwen. Er is immers sprake van twijfel op voorhand, die niet is gebaseerd op enige concrete aanwijzing dat de door appellant overgelegde akte inhoudelijke onjuistheden bevat. Het ligt dan ook gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht op de weg van het college om te onderzoeken of de twijfel in dit geval gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken te verzoeken een verificatieonderzoek uit te voeren. Daar komt nog bij dat appellant aannemelijk heeft gemaakt, dat het college wel en hij niet met succes om een dergelijk onderzoek kan vragen. Het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 18 januari 2005 dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht is juist, met dien verstande dat de rechtbank aan de door haar onderkende strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht een te beperkte strekking heeft toegekend en dat de aangevallen uitspraak derhalve op het punt van de op het college rustende onderzoeksplicht verbetering behoeft.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop deze rust;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Uden tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Uden aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Uden aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Mathot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

413.