Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0241

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200506126/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) het verzoek van appellant om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 29 oktober 2003 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506126/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04 / 1842 van de rechtbank Maastricht van 2 juni 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) het verzoek van appellant om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 29 oktober 2003 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Bij besluit van 23 september 2004, voor zover hier van belang, heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 oktober 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

Bij brief van 13 oktober 2005 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 4 januari 2006 aan de orde gesteld, waar geen der partijen is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) - voor zover hier van belang - blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2.    Bij besluit van 23 september 2004 heeft de Minister zijn weigering gehandhaafd om een aantal passages openbaar te maken uit de twee memoranda die ten grondslag hebben gelegen aan het individuele ambtsbericht dat is opgemaakt in het kader van de asielaanvraag van appellant. De Minister heeft zich daarbij wat betreft de beide memoranda van 22 juli 2003 en van 29 oktober 2003 beroepen op de belangen gediend met bronbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden en wat betreft het memorandum van 29 oktober 2003 op bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn specifieke belang, dat verband houdt met zijn asielprocedure, wel degelijk aan de orde is. Hij voert aan dat de afweging van belangen ertoe kan leiden dat wordt overgegaan tot niet-algemene openbaarmaking, te weten slechts aan een bepaalde verzoeker met een specifiek belang waarbij dit zijns inziens niet alleen hemzelf hoeft te betreffen. Appellant betoogt verder, samengevat weergegeven, dat het belang van controle en doorzichtigheid van het openbaar bestuur zijns inziens zwaarder dient te wegen dan de door de Minister ingeroepen belangen nu de betrouwbaarheid, objectiviteit en deskundigheid van de ambtsberichten in twijfel worden getrokken. Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat meer informatie openbaar kan worden gemaakt dan de Minister nu heeft gedaan. Voorts heeft appellant aangevoerd dat sprake is van schending van het "equality-of-arms-beginsel" en het beginsel van "fair trial". Ten slotte bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank dat de Minister mocht afzien van het horen van appellant.

2.4.    De Afdeling volgt appellant niet in zijn standpunten ten aanzien van het meewegen van zijn specifieke belang en de niet-algemene openbaarmaking. Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat bij de in het kader van de Wob te verrichten belangenafweging het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen worden betrokken. De omstandigheid dat behalve appellant ook anderen belang kunnen hebben bij openbaarmaking van de door de Minister gebruikte bronnen en de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek maakt niet dat de rechtbank de door de Minister gemaakte belangenafweging anders had moeten beoordelen dan zij heeft gedaan. Een specifiek belang bij openbaarmaking van appellant en/of anderen kan in die afweging niet worden betrokken.

2.5.    Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet aan appellant verstrekte tekstpassages in de twee memoranda, stelt de Afdeling vast dat de belangen waarop de Minister zich heeft beroepen, bij de informatie in deze passages aan de orde zijn. De passages hebben betrekking op namen, identiteit, functies en werkomgeving van vertrouwenspersonen en andere geraadpleegde bronnen, gebruikte methoden en technieken van onderzoek respectievelijk het kennisniveau. Gelet op de inhoud van deze passages is de Afdeling evenals de rechtbank van oordeel dat de Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid openbaarmaking van deze passages achterwege heeft kunnen laten. Vragen met betrekking tot de betrouwbaarheid, de objectiviteit en het waarheidsgehalte van het uitgebrachte ambtsbericht staan in dit geding niet ter beoordeling.

2.6.    Naar aanleiding van het beroep van appellant op de beginselen van "equality-of-arms" en "fair trial" overweegt de Afdeling dat in het kader van de in artikel 8:29 van de Awb voorziene procedure een toetsing plaatsvindt van de besluitvorming door de Minister die niet alleen een procedurele controle maar ook een inhoudelijke rechtmatigheidscontrole omvat, zodat sprake is van een volledige rechterlijke toetsing van het bestreden besluit. De in artikel 8:29 van de Awb neergelegde waarborgen verzekeren dat de gevolgde procedure niet in strijd is met de door appellant ingeroepen beginselen.

2.7.    De rechtbank is op goede gronden, onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling in zaken als deze, tot het juiste oordeel gekomen dat de Minister het bezwaar van appellant als kennelijk ongegrond heeft kunnen aanmerken en derhalve van het horen van appellant heeft kunnen afzien.

2.8.    Hetgeen appellant verder nog in hoger beroep naar voren heeft gebracht, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

204.