Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200506374/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: appellant) het verzoek van [wederpartijen] om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de in het kader van een asielprocedure opgemaakte individuele ambtsberichten van 31 augustus 2000 en 26 mei 2003 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506374/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 04/1722 en 3050 van de rechtbank Utrecht van 6 juni 2005 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: appellant) het verzoek van [wederpartijen] om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de in het kader van een asielprocedure opgemaakte individuele ambtsberichten van 31 augustus 2000 en 26 mei 2003 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Bij besluit van 14 mei 2004 heeft appellant het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Hangende het door [wederpartijen] ingestelde beroep hiertegen heeft appellant bij besluit van 29 juli 2004 zijn besluit van 14 mei 2004 ingetrokken. Bij dit besluit van 29 juli 2004 heeft hij tevens het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 6 april 2004 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 september 2004 heeft appellant afwijzend beslist op het naar aanleiding van appellants besluit van 29 juli 2004 gedane verzoek van [wederpartijen] om hun de curricula vitae te verstrekken van de personen wier informatie appellant als bron heeft gebruikt in het kader van de aan de individuele ambtsberichten van 31 augustus 2000 en 26 mei 2003 ten grondslag liggende onderzoeken.

Bij besluit van 4 november 2004 heeft appellant het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 september 2004 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2005, verzonden op 8 juni2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] tegen het besluit van 14 mei 2004 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het door hen tegen het besluit van 29 juli 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door hen tegen het besluit van 4 november 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 augustus 2005 hebben [wederpartijen] van antwoord gediend.

Bij brief van 24 augustus 2005 hebben [wederpartijen] de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Op 22 november 2005 zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartijen]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 4 januari 2006 aan de orde gesteld, waar geen der partijen is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

   Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

   Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

   Ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, zijn deze artikelen van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.

2.2.    De aangevallen uitspraak van de rechtbank is op 8 juni 2005 verzonden, zodat de hogerberoepstermijn liep van 9 juni 2005 tot en met 20 juli 2005. Het hogerberoepschrift is buiten de termijn, te weten op 21 juli 2005 bij de Afdeling ingekomen.

   Het hogerberoepschrift kan in dit geval slechts door de Afdeling worden ontvangen indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. Uitgangspunt bij het vaststellen van de datum van terpostbezorging is de datumstempel van TPG Post. Op de enveloppe met stempel 'port betaald' waarin het hogerberoepschrift is verzonden, ontbreekt een datumstempel. Het hogerberoepschrift is niet aangetekend verzonden. Onder die omstandigheden is het aan de indiener om aannemelijk te maken dat het stuk tijdig ter post is bezorgd. De vermelding op het hogerberoepschrift dat het 20 juli 2005 is verzonden, is onvoldoende om van tijdige terpostbezorging uit te gaan. Ter zitting had appellant de gelegenheid aannemelijk te maken dat het hogerberoepschrift aan TPG Post ter verzending is aangeboden en dat dit voor het einde van de termijn is gebeurd. Van deze gelegenheid heeft appellant geen gebruik gemaakt. Feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat sprake is geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding, zijn gesteld noch gebleken.

2.3.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

204.