Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV0230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
200502335/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een loods met kantoor op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2006/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502335/1.

Datum uitspraak: 25 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Bergen op Zoom,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/1178 van de rechtbank Breda van 10 februari 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een loods met kantoor op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college de daartegen door onder meer appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 februari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 15 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 april 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 mei 2005 hebben appellanten een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 20 mei 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2005, waar appellanten in persoon, en het college, vertegenwoordigd door S. van der Heiden-den Haan en D.M.J. Lemmens, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op de gronden waarop het bouwplan is voorzien, rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Theodorushaven" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse A (AA)". Het bestemmingsplan is op 28 april 1971 goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

   Het plan voor de bouw van een loods met kantoor welke gebruikt zal worden door het maai-, loon- en grondwerkbedrijf van [vergunninghouder], is in strijd met de bestemming.

2.2.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan het college.

   Ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor a) het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of b) geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.3.    Niet in geschil is dat de raad van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: de raad) de in artikel 19, eerste lid, van de WRO bedoelde vrijstellingsbevoegdheid heeft gedelegeerd aan het college. Op 17 november 2002 heeft de raad een voorbereidingsbesluit betreffende onder meer het onderhavige perceel genomen. Het college heeft in februari 2003 een ruimtelijke onderbouwing voor het bouwplan opgesteld, welke in mei 2003 is gewijzigd. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft op 14 oktober 2003 een verklaring van geen bezwaar afgegeven voor het bouwplan. In het voorontwerp van het bestemmingsplan "Theodorushaven/Noordland", dat dateert van maart 2003, is voorzien dat de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, de bestemming "Gemengde doeleinden" krijgen.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat, gezien de grote inbreuk die het bouwplan maakt op het planologische regime, de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende was.

2.4.1.    Dit betoog faalt. Appellanten betogen weliswaar terecht dat het bouwplan een grote inbreuk maakt op het planologische regime, maar de rechtbank heeft dit in haar uitspraak ook onderkend. Zij heeft met juistheid geoordeeld dat, gelet hierop, strenge eisen moeten worden gesteld aan de voorbereiding en de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing voldoende zorgvuldig is voorbereid.

   De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat zowel in de ruimtelijke onderbouwing als in het voorontwerp-bestemmingsplan wordt benadrukt dat het gebied waarop het perceel zich bevindt, in de overgangszone tussen het landelijk en stedelijk gebied ligt. Dit uitgangspunt is niet onjuist. Immers, aan de zuidzijde van het gebied ligt het grootschalige industrieterrein Theodorushaven, met in milieuplanologisch opzicht veel middelzware en zware bedrijven. Aan de noordzijde van het perceel bevindt zich een aantal burgerwoningen en open percelen met een agrarische functie. Aan de westzijde ligt de Ringbaan-West. De ruimtelijke onderbouwing geeft gemotiveerd aan waarom het bouwplan volgens het college past binnen het beleidskader dat als basis geldt voor de bestemmingsplanherziening.

   Voorts wordt, anders dan appellanten betogen, zowel in de ruimtelijke onderbouwing als in het voorontwerp-bestemmingsplan ingegaan op de ligging van het perceel ten opzichte van het natuurgebied de Brabantse Wal en op het belang dat het zicht vanaf de Ringersweg op dit geomorfologisch belangrijke natuurgebied behouden dan wel hersteld wordt.

   Appellanten stellen voorts dat op het perceel dieren voorkomen die bescherming verdienen op grond van de Flora- en Faunawet. Dit betoog is niet onderbouwd, anders dan dat een ambtenaar van de gemeente heeft medegedeeld dat de procedure voor de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan vertraging heeft opgelopen omdat er grauwe ganzen zijn aangetroffen. Wat daar ook van zij, niet kan worden geconcludeerd dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende grond heeft gezien voor het oordeel dat aan de Vogel- en Habitatrichtlijn in de ruimtelijke onderbouwing te weinig aandacht is besteed. Het ontwerp-bestemmingsplan heeft immers betrekking op een groter gebied dan de ruimtelijke onderbouwing.

   Dat, zoals appellanten betogen, de termijn om bezwaar te maken tegen de verlening van de bouwvergunning vooraf is gegaan aan de periode waarin het voorontwerp-bestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, maakt de ruimtelijke onderbouwing evenmin onvoldoende.

2.5.    Voorts betogen appellanten dat het college geen gebruik had mogen maken van de verklaring van geen bezwaar, die volgens appellanten afgegeven is, nadat het college onjuiste informatie heeft verstrekt aan het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

2.5.1.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte de op 28 december 2004 gedateerde en op 31 december 2004 naar de rechtbank per fax verzonden aanvulling op het beroepschrift, buiten beschouwing heeft gelaten. Deze aanvulling had tot doel aan te tonen dat het college onjuiste informatie had verstrekt. Appellanten voeren aan dat zij deze aanvulling buiten de tiendagen-termijn als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb hebben ingediend.

2.5.2.    Dit betoog is gebaseerd op een verkeerde interpretatie van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft slechts overwogen dat de bijlagen bij de nadere reactie haar pas op 4 januari 2005 en dus binnen de tiendagen-termijn hebben bereikt. Voorts blijkt uit de uitspraak dat de rechtbank deze bijlagen, hoewel te laat ingediend, toch inhoudelijk heeft bekeken, maar op goede gronden heeft geoordeeld dat de stukken feitelijk weinig zeggen over de situatie op het perceel ten tijde van het indienen van de aanvraag en het nemen van de beslissing op bezwaar. Hierbij wordt onder meer in aanmerking genomen dat de ingediende bijlagen betrekking hebben op andere terreinen dan het onderhavige perceel en op aspecten die bij een planologische vrijstelling slechts een ondergeschikte rol kunnen spelen.

2.5.3.    Voorts leidt de stelling van appellanten dat de verklaring van geen bezwaar vermeldt dat de oppervlakte van de bestaande bebouwing 325 m2 bedraagt, terwijl de bouwaanvraag een oppervlakte van 800 m2  noemt, hoewel op zich juist, niet tot het door appellanten gewenste resultaat. De bouwaanvraag vermeldt dat de bebouwde oppervlakte van het perceel door het bouwplan met 375 m2  toeneemt, van 800 m2  voor de werkzaamheden tot 1175 m2  erna. In de verklaring van geen bezwaar vermeldt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant "dat de loods een omvang heeft van 380 m2, waarmee sprake is van een forse uitbreiding ten opzichte van de bestaande bebouwing (325 m2 )". Hoewel een verkeerde maatgeving is gehanteerd in de verklaring van geen bezwaar, kan uit de motivering van het college van gedeputeerde staten worden opgemaakt dat het college zich heeft gerealiseerd dat de uitbreiding fors is en desondanks zich bereid heeft verklaard om medewerking te verlenen aan het bouwplan.

   Ook hetgeen appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot het ontbreken van een verwijzing in de ruimtelijke onderbouwing naar de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant faalt. In de verklaring van geen bezwaar vermeldt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant immers, dat voordat begonnen wordt met de realisering van het bouwplan eerst een verkennend booronderzoek dient te worden uitgevoerd en indien er bij dit onderzoek zogenaamde archeologische indicatoren in context worden aangetroffen, aanvullend proefsleuvenonderzoek plaats dient te vinden. Eventuele archeologische belangen dienen voor aanvang van de bouw te worden veiliggesteld.

2.5.4.    Gezien het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet staande valt te houden dat het college geen gebruik heeft mogen maken van de verklaring van geen bezwaar.

2.6.    Voorts betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen.

2.6.1.    Ook dit betoog faalt. Het betoog van appellanten dat het college rekening had moeten houden met de milieuzonering treft geen doel. Appellanten verwijzen ter ondersteuning van dit betoog naar het interne advies van 2 juli 2003, dat door de Provinciale Planologische Commissie van de Noord-Brabant (hierna: de PPC) is gebruikt bij het opstellen van haar advies aan het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Dit interne advies heeft echter, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft geoordeeld ten aanzien van het advies van de PPC, betrekking op het ontwerp-bestemmingsplan en niet specifiek op het bouwplan.

   Voorts hebben appellanten niets aangevoerd dat zou kunnen leiden tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat hun woongenot door realisering van het bouwplan dermate ernstig zal worden aangetast, dat het college heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel door meer gewicht te hechten aan het belang van een adequaat bedrijfsmatig gebruik van het perceel. Dat appellanten betogen namens de bewoners van 13 andere woningen in de buurt te spreken, maakt dit niet anders.

2.7.    Ten slotte komt de Afdeling niet toe aan hetgeen appellanten aanvoeren met betrekking tot de gang van zaken bij de opstelling en terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan, aangezien dit een andere procedure betreft dan die welke thans voorligt.

2.8.    Het hoger beroepschrift is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006

66-488.