Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200503143/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2005:AT0696
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 28 mei 2003 heeft appellant de verzoeken van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4] (hierna gezamenlijk: verzoekers) om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006/167 met annotatie van T.E.P.A. Lam
O&A 2006, 8
JOM 2007/326
OGR-Updates.nl 1001169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503143/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Heemskerk,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken no's. AWB 04-471, 04-431 en 04-452 van de rechtbank Haarlem van 21 februari 2005 in het geding tussen:

1.    [verzoeker sub 1],

2.    [verzoeker sub 2],

3.    [verzoeker sub 3],

4.    [verzoeker sub 4],

allen wonende te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 28 mei 2003 heeft appellant de verzoeken van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4] (hierna gezamenlijk: verzoekers) om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.

Bij besluiten van 29 januari 2004 heeft appellant, overeenkomstig het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 7 januari 2004, de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2005, verzonden op 28 februari 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 29 januari 2004 vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van de uitspraak nieuwe besluiten dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 juni 2005 heeft verzoeker sub 3, en bij brieven van 21 juni 2005 hebben verzoekers sub 1, 2 en 4 van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door C.G. van den Brink, drs. I.M. Dias en ir. A.J. Rabius, ambtenaren van de gemeente, [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. E.K.J. Eilander, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, [verzoeker sub 3] in persoon, bijgestaan door mr. J.C. Visscher, werkzaam bij CNV Rechtshulp, [verzoeker sub 4] in persoon, bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een vrijstelling ex artikel 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2.    Verzoekers sub 1, 2, 3 en 4 zijn respectievelijk sinds 1992, 1990, 1993 en 1975 eigenaar van respectievelijk de woningen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4]. Zij hebben verzocht om vergoeding van planschade ten gevolge van de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van 23 februari 2001 verleende vrijstelling krachtens artikel 19 van de WRO (hierna: de vrijstelling) voor de bouw van een gebouw met 74 appartementen (hierna: het appartementengebouw) op een perceel aan de Hoflaan (hierna: het perceel), ten noorden van hun woningen. De vrijstelling is op 1 maart 2001 in werking getreden.

2.3.    Het perceel ligt, voorzover thans van belang, in het plangebied van het bestemmingsplan "Oosterwijk-Zuidbroek", dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 10 mei 1973, door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland is goedgekeurd bij besluit van 14 mei 1974 en onherroepelijk is geworden op 25 februari 1975. Het perceel is in dit plan, voorzover thans  van belang, bestemd als "Hoofdverkeersweg, groenstrook (nader te detailleren)" en aldus ingevolge artikel 29 van de voorschriften bestemd voor de aanleg van wegen, straatmeubilair en sloten, uitsluitend ten dienste van de geplande rijksweg (verlengde Coentunnelweg).

2.4.    De SAOZ heeft zich in haar adviezen van december 2002 en haar nadere advies van 3 maart 2003 (hierna: SAOZ-adviezen), uitgebracht in de met de gevallen van verzoekers sub 3 en 4 vergelijkbaar geachte gevallen van verzoekers sub 1 en 2, op het standpunt gesteld dat, alhoewel de gemeenteraad tot twee keer toe heeft besloten dat de verlengde Coentunnelweg niet zou worden aangelegd, het bestemmingsplan "Oosterwijk-Zuidbroek" niet is herzien, zodat bij de vergelijking van planologische regimes met de geplande aanleg van de rijksweg rekening gehouden moet worden. De SAOZ heeft op grond van de planvergelijking geconcludeerd dat de bouw van het appartementengebouw voor [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] heeft geleid tot planologisch nadeel, bestaande uit aantasting van het vrije uitzicht en van de privacy.

2.5.    Appellant heeft de gehandhaafde weigering aan verzoekers planschade te vergoeden gebaseerd op de grond dat, anders dan in de SAOZ-adviezen was geconcludeerd, de bouw van het appartementengebouw voor hen geen planologisch nadeel met zich brengt. Ten aanzien van verzoekers sub 1, 2 en 3 heeft appellant tevens beslist dat vergoeding van planschade voor hen niet aan de orde is omdat wijziging van de bestemming voor hen voorzienbaar was.

2.6.    De rechtbank heeft de bestreden besluiten vernietigd. Zij heeft geoordeeld dat de door appellant gemaakte planvergelijking niet juist is omdat appellant, met de SAOZ, heeft miskend dat hier sprake is van de uitzondering op de regel dat bij planologische vergelijking van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden moet worden uitgegaan. Volgens de rechtbank is de in de jurisprudentie voorziene uitzonderingssituatie aan de orde dat de realisering van de betrokken bestemming onmogelijk is of anderszins vast staat dat (maximale) verwezenlijking van die bestemming niet zal plaatsvinden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat door bebouwing elders op het voor de verlengde Coentunnelweg voorziene tracé, verwezenlijking van die rijksweg op het perceel waarop het appartementengebouw is voorzien, op de peildatum illusoir was en dat in planologische beleidsstukken aanleg van die weg ook niet meer was opgenomen.

   Ten aanzien van verzoekers sub 1, 2 en 3 heeft de rechtbank geoordeeld dat van voorzienbaarheid geen sprake was omdat op de betrokken peildata geen enkele aanwijzing bestond dat zou worden besloten ter plaatse de bouw mogelijk te maken van een appartementencomplex als waarop het betrokken vrijstellingsbesluit ziet.

2.7.    Appellant betoogt primair dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat in dit geval bij de planvergelijking niet mag worden uitgegaan van de maximale invulling van de bestemming "Hoofdverkeersweg, groenstrook (nader te detailleren)" in het bestemmingsplan "Oosterwijk-Zuidbroek". Volgens appellant moet bij de planvergelijking altijd worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van de planologische regimes.

2.7.1.    Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van de eventuele waardevermindering. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.7.2.    Ingevolge de planvoorschriften voor de bestemming "Hoofdverkeersweg groenstrook (nader te detailleren)" is op het perceel uitsluitend de aanleg van de verlengde Coentunnelweg toegestaan. Ter zitting heeft appellant desgevraagd bevestigd dat het tracé van de verlengde Coentunnelweg buiten het plangebied van het bestemmingsplan "Oosterwijk-Zuidbroek" grotendeels is bebouwd met woningen en dat de aanleg van de verlengde Coentunnelweg daardoor niet meer mogelijk is. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de verlengde Coentunnelweg met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet op het perceel kan worden aangelegd, zodat deze op grond van het bestemmingsplan "Oosterwijk-Zuidbroek" voorziene aanleg bij de planvergelijking buiten beschouwing moet worden gelaten. Nu de Afdeling geen grond heeft gevonden voor de juistheid van appellants stelling dat de rechtbank bij haar oordeel de planologische vergelijking en voorzienbaarheid niet gescheiden heeft gehouden, leidt het voorgaande tot de conclusie dat het hoger beroep in zoverre geen doel treft.

2.8.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de planologische mutatie voor verzoekers sub 1, 2 en 3 ten tijde van de aankoop van hun woningen voorzienbaar was, zodat eventuele planschade te hunnen laste behoort te blijven. Hij voert daartoe aan dat op de plankaart van het op 22 januari 1987 vastgestelde streekplan "Amsterdam Noordzeekanaalgebied" (hierna: het streekplan) voor het tracé van de verlengde Coentunnnelweg de aanduiding "woonfunctie, toekomstig nog te realiseren" is opgenomen en dat, nu het streekplan een relevant planologisch besluit is, verzoekers sub 1, 2 en 3 op grond daarvan rekening hadden moeten houden met het risico dat op het perceel het appartementengebouw zou worden opgericht, zodat de mogelijk nadelige gevolgen van deze planologische ontwikkeling redelijkerwijs voor hun rekening behoren te blijven.

2.8.1.    Of sprake is van voorzienbaarheid van de planologische wijziging op grond waarvan het daaruit voortvloeiende nadeel redelijkerwijs voor rekening dient te blijven van degene die stelt schade te hebben geleden, moet worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkende en handelende koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie voor omwonenden in ongunstige zin zou veranderen.

2.8.2.    Volgens het streekplan worden met de aanduiding "woonfunctie, toekomstig nog te realiseren" op de streekplankaart terreinen voor woon- en daarmee verband houdende bebouwing en overige daarbij behorende voorzieningen en werken - daarbij inbegrepen parken, sport- en speelvelden - aangeduid. Gelet hierop moesten verzoekers sub 1, 2 en 3 op de peildatum rekening houden met de realisering van woningbouw, groenvoorzieningen en sportvelden op het tracé van de verlengde Coentunnelweg. Gelet echter op het karakter van de directe omgeving van de woningen van verzoekers 1, 2 en 3, die zich kenmerkt door laagbouw, konden zij de bouw van een appartementencomplex van 18 meter hoog, bestaande uit zes woonlagen met op hun percelen georiënteerde terrassen op een afstand van circa 35 meter van hun woningen niet voorzien. Dat, naar appellant stelt, in de omgeving ook hoogbouw aanwezig is, maakt dit niet anders, aangezien deze hoogbouw zich in een ander deel van de wijk bevindt op aanmerkelijk grotere afstand van de woningen van verzoekers sub 1,2 en 3 dan het betrokken appartementencomplex. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het streekplan in dit geval onvoldoende inzicht bood in de aard, omvang en situering van de toekomstige woonfunctie om aan te kunnen nemen dat verzoekers sub 1, 2 en 3 ten tijde van de aankoop van hun woningen het risico van de thans aan de orde zijnde, voor hen nadelige planologische mutatie hebben aanvaard zodat de gevolgen daarvan redelijkerwijs voor hun rekening behoren te blijven. Het betoog faalt derhalve.

2.9.    De conclusie is dat de rechtbank terecht en op goede gronden de bestreden besluiten heeft vernietigd en heeft bepaald dat appellant met inachtneming van haar uitspraak nieuwe beslissingen op bezwaar dient te  nemen.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11.    Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Heemskerk tot vergoeding van een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) voor [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] gezamenlijk, een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) voor [verzoeker sub 3] en een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) voor [verzoeker sub 4] in verband met bij de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten, geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de vermelde bedragen dienen door de gemeente Heemskerk aan [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] gezamenlijk en aan [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 4] ieder afzonderlijk onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

164-507.