Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9838

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200503679/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2003 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om verlening van subsidie op grond van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (hierna: de Regeling SAN) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503679/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/357 van de rechtbank Assen van 23 februari 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2003 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om verlening van subsidie op grond van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (hierna: de Regeling SAN) afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2004 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 februari 2005, verzonden op 18 maart 2005, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 juni 2005 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door ir. S. Boonstra, werkzaam bij NLTO Noord Advies te Drachten, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E. van Male en mr. R.A.M. Verheyden, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 20 december 1999 (Stcrt. 1999, 252) heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, onder meer gelet op de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies, de Regeling SAN vastgesteld.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Regeling SAN wordt onder beheerssubsidie verstaan: subsidie als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel a.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Regeling SAN kan de minister, voorzover thans van belang, aan beheerders op aanvraag subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding en ontwikkeling van beheerspakketten, opgenomen in de bijlagen 6 tot en met 30.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van de Regeling SAN wordt onder beheersgebied verstaan: gebied dat als beheersgebied overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze regeling is begrensd.

   Ingevolge artikel 29, aanhef en onder b, van de Regeling SAN wordt beheerssubsidie niet verstrekt ten aanzien van terreinen die niet zijn gelegen in een beheersgebied, tenzij de gevraagde beheerssubsidie betrekking heeft op beheerspakketten genoemd in de bijlagen 29 en 30.

2.1.1.    Ingevolge artikel 78, tweede lid, zoals dat gold ten tijde van het nemen van het primaire besluit, wordt overgangsbeheerssubsidie verstrekt ten behoeve van landbouwgronden die zijn gelegen in een natuurgebied als bedoeld in de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 (hierna: de Regeling SN), voorzover dit in overeenstemming is met het desbetreffende natuurgebiedsplan.

   Ingevolge artikel 77a, zoals dat gold ten tijde van het nemen van het primaire besluit, wordt overgangsbeheerssubsidie, voorzover thans van belang, niet verstrekt ten aanzien van terreinen, gelegen in een natuurgebiedsplan als bedoeld in de Regeling SN, die Staatsbosbeheer na 1 december 1977 in gebruik heeft afgestaan aan een ondernemer, tenzij dit afstaan in gebruik heeft geleid tot de ononderbroken voorzetting van het op 1 december 1977 bestaand gebruik door de ondernemer, zijn echtgenoot, een pleegkind of een of meer bloed- en aanverwanten in de rechte lijn.

2.1.2.    Ingevolge artikel 20a, eerste lid, van de Regeling SAN, zoals dat geldt sedert 25 oktober 2003, wordt, voorzover thans van belang, onder beheersgebied eveneens verstaan: natuurgebied als bedoeld in artikel 13 van de Regeling SN, indien en voor zover de instandhouding van een beheerspakket volgens de in bijlage 3 van deze regeling opgenomen tabel, in overeenstemming is met de doelstellingen en basis- of pluspakketten van het desbetreffende natuurgebiedsplan als bedoeld in de Regeling SN.

   Ingevolge artikel 20b van de Regeling SAN, zoals dat geldt sedert 25 oktober 2003, wordt beheerssubsidie, voorzover thans van belang, niet verstrekt ten aanzien van terreinen, gelegen in een natuurgebiedsplan als bedoeld in de Regeling SN, die Staatsbosbeheer na 1 december 1977 in gebruik heeft afgestaan aan een ondernemer, tenzij dit afstaan in gebruik heeft geleid tot de ononderbroken voorzetting van het op 1 december 1977 bestaand gebruik door de ondernemer, zijn echtgenoot, een pleegkind of een of meer bloed- en aanverwanten in de rechte lijn.

2.2.    Appellante heeft ter zake van drie terreinen een aanvraag ingediend tot verlening van subsidie op grond van de Regeling SAN voor de ontwikkeling van het pakket "Instandhouding kruidenrijk grasland" (bijlage 7 van de Regeling SAN).

   Niet in geschil is dat deze terreinen zijn gelegen in natuurgebied en niet in een beheersgebied.

   Bij besluit van 14 juli 2003 heeft de minister de aanvraag op grond van het destijds geldende artikel 77a van de Regeling SAN afgewezen.

   Bij besluit van 8 maart 2004 heeft de minister dat standpunt gehandhaafd en zich voorts op het standpunt gesteld dat het bepaalde in het op 25 oktober 2003 in werking getreden, gelijkluidende, artikel 20b van de Regeling SAN zich evenzeer tegen de verlening van de subsidie verzet.

   De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte artikel 20b van de Regeling SAN aan haar heeft tegengeworpen. Daartoe stelt zij dat dat artikel ziet op beheerssubsidie, terwijl zij heeft verzocht om overgangsbeheerssubsidie, en dat haar terreinen zijn gelegen in een natuurgebied en niet in een beheersgebied.

2.3.1.    Dat betoog faalt. Appellante heeft een aanvraag gedaan tot verlening van beheerssubsidie, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Regeling SAN. Ten tijde van het indienen van de aanvraag en het nemen van het primaire besluit bestond voor appellante evenwel, gelet op het bepaalde in artikel 29, aanhef en onder b, van de Regeling SAN, niet de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor beheerssubsidie, omdat de terreinen van appellante niet in een beheersgebied liggen, maar in een natuurgebied. Wel bestond, gelet op het destijds geldende artikel 78, tweede lid, van de Regeling SAN, voor beheerders van landbouwgronden die zijn gelegen in een natuurgebied de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor 'overgangsbeheerssubsidie'. De minister heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat appellante hier niet voor in aanmerking komt, gelet op het bepaalde in het destijds geldende artikel 77a van de Regeling SAN en dat het op 25 oktober 2003 in werking getreden gelijkluidende artikel 20b van de Regeling SAN zich evenzeer tegen de subsidieverlening verzet.

   De omstandigheid dat artikel 20b van de Regeling SAN spreekt van 'beheerssubsidie' en niet van 'overgangsbeheerssubsidie', houdt verband met het schrappen met ingang van 25 oktober 2003 van alle bepalingen met betrekking tot overgangsbeheer (Stcrt. 2003, 205). Uit het op die datum in werking getreden artikel 20a volgt evenwel dat - anders dan voorheen het geval was - ook beheerders van terreinen gelegen in natuurgebieden in aanmerking kunnen komen voor beheerssubsidie, tenzij ten aanzien van die terreinen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 20b van de Regeling SAN.

   Nu onbestreden is gebleven dat ten aanzien van de terreinen van appellante sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 20b van de Regeling SAN, en dat geen sprake is van de in dat artikel genoemde uitzondering betreffende de ononderbroken voortzetting van het gebruik sinds 1 december 1977, is er geen grond voor het oordeel dat de minister dat artikel ten onrechte aan haar heeft tegengeworpen.

2.4.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de minister het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Daartoe stelt zij dat zij de onderhavige aanvraag op advies van de minister heeft ingediend, in plaats van bezwaar te maken tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van een eerder ingediende aanvraag. Verder stelt zij dat de minister aan haar heeft medegedeeld dat zij de onderhavige aanvraag kon indienen, mits zij over een duurzaam gebruiksrecht beschikte.

2.4.1.    Uit de stukken blijkt dat de minister op 28 oktober 2002 een eerder door appellante ingediende aanvraag om subsidie op grond van de Regeling SAN voor een deel heeft afgewezen en voor het overige heeft ingewilligd. De afwijzing heeft betrekking op de door appellante gevraagde  weidevogelpakketten en de inwilliging op de door appellante gevraagde botanische pakketten, ten behoeve van welke laatstgenoemde pakketten aan appellante subsidie is verleend. Hierop heeft appellante de minister verzocht om de gevraagde weidevogelpakketten om te zetten in botanische pakketten en de door haar ingediende aanvraag aldus gewijzigd te lezen en behandelen. De minister heeft appellante hierop geadviseerd om een nieuwe aanvraag in te dienen in plaats van bezwaar te maken tegen de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag, omdat de behandeling van een bezwaarschrift volgens de minister langer zou duren dan de behandeling van een nieuwe aanvraag.

   Uit de stukken blijkt evenwel niet dat de minister, naast zijn uitlatingen over de duur van de procedure, eveneens concrete toezeggingen heeft gedaan over de uitkomst van de procedure. Er is derhalve geen sprake van door de minister gewekt vertrouwen dat de subsidie zal worden verleend.

2.4.2.    Verder blijkt uit een e-mailbericht van een medewerker van LASER Roermond van 13 november 2002 dat deze aan appellante heeft medegedeeld dat zij een aanvraag kan indienen, mits zij bij aanvang van de subsidie een duurzaam gebruikrecht op de gronden heeft en dat, indien ten aanzien van de gronden sprake is van pacht onder beperkende voorwaarden, een verklaring van geen bezwaar van Staatsbosbeheer vereist is.

   Hoewel uit dit bericht kan worden afgeleid dat deze medewerker zich geen rekenschap heeft gegeven van het bepaalde in het destijds geldende artikel 77a van de Regeling SAN, is daarmee geen sprake van gewekt vertrouwen dat de subsidie zal worden verleend. De door de medewerker gedane mededeling betreft immers slechts algemene informatie omtrent de voorwaarden voor het indienen van een aanvraag.

2.4.3.    Wat van het vorengaande ook zij, het beroep op het vertrouwensbeginsel kan in geen geval leiden tot verlening van subsidie in strijd met het destijds geldende artikel 77a noch met artikel 20b van de Regeling SAN. Het betoog faalt.

2.5.    Voorzover appellante betoogt dat de minister haar ten onrechte niet de gelegenheid heeft gegeven om de pakketcode van haar eerdere aanvraag te wijzigen, kan dat niet slagen, reeds nu de afwijzing van die aanvraag in de onderhavige procedure niet in geschil is.

2.6.    Voorzover appellante betoogt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat identieke aanvragen verschillend worden beoordeeld, faalt dat, nu appellante haar betoog niet met concrete voorbeelden heeft onderbouwd.

2.7.    Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden, faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht overwogen dat hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd, de conclusie rechtvaardigt dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat van het horen mocht worden afgezien.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

344.