Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200505457/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2004 heeft appellant (hierna: de Staatssecretaris) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rotterdam United Dockyard B.V." (hierna: RUD) een boete opgelegd van € 5400,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505457/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. WET 04/3600 van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2005 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rotterdam United Dockyard B.V.", gevestigd te Schiedam

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2004 heeft appellant (hierna: de Staatssecretaris) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rotterdam United Dockyard B.V." (hierna: RUD) een boete opgelegd van € 5400,00.

Bij besluit van 22 november 2004 heeft de Staatssecretaris het daartegen door RUD gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2005, verzonden op 17 mei 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door RUD ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de Staatssecretaris met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft de Staatssecretaris naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank het door RUD gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J. Crommelin, ambtenaar bij het Ministerie is verschenen. RUD is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het hoger beroep is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank over de hoogte van de opgelegde boete, inhoudende dat het besluit van 22 november 2004 in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht omdat de Staatssecretaris onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de boete evenredig is aan de ernst van de aan RUD verweten overtreding en aan de mate van verwijtbaarheid. Zij heeft het besluit om die reden, onder gegrondverklaring van het beroep, vernietigd.

2.2.    Met juistheid betoogt de Staatssecretaris dat het beroep in eerste aanleg van RUD was beperkt tot de vraag of de Staatssecretaris haar heeft kunnen aanmerken als werkgever van het slachtoffer van het arbeidsongeval dat op 24 september 2003 in haar bedrijf heeft plaatsgevonden. Over de hoogte van de boete zijn in eerste aanleg geen gronden aangevoerd. Ook het betoog van RUD dat het slachtoffer medeverantwoordelijk was voor het ongeval heeft slechts betrekking op de vraag wie de overtreding heeft begaan en wie daarvoor verantwoordelijk is, niet op de omvang van de sanctie. Voorts is de vraag of de Staatssecretaris de hoogte van de boete juist heeft vastgesteld niet onlosmakelijk verbonden met de vraag of RUD als werkgever als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 kan worden aangemerkt. Door te beoordelen of de hoogte van de boete voldoende is gemotiveerd, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht getreden buiten de omvang van het geschil, zoals dat door RUD aan de orde was gesteld.

   Gelet hierop behoeft hetgeen de Staatssecretaris overigens heeft aangevoerd geen bespreking.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De door RUD bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden heeft de rechtbank alle uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen. De Afdeling zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het inleidende beroep van RUD ongegrond verklaren.

2.4.    Het besluit van de Staatssecretaris van 5 juli 2005 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het hoger beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet worden geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.

2.5.    Gelet op het vorenoverwogene kon de Staatssecretaris, naar thans blijkt, niet ten tweede male op het door RUD gemaakte bezwaar beslissen. De rechtmatigheid van de eerste beslissing op bezwaar van 22 november 2004 is immers thans alsnog komen vast te staan. Dit betekent dat het van rechtswege gegenereerde beroep tegen het besluit van 5 juli 2005 gegrond is en dat dit besluit moet worden vernietigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2005, WET 04/3600;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    verklaart het beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 5 juli 2005, AI/JZ/2005/49873, gegrond;

V.    vernietigt dit besluit.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Mathot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

413.