Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200501005/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2002, kenmerk 70068, heeft verweerder het verzoek van appellanten om bestuursrechtelijke maatregelen te treffen inzake de overlast die door hen wordt ondervonden in verband met de aanwezigheid van een trailerhelling, gelegen bij de Nieuwendammerdijk (Zijkanaal K) te Amsterdam, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 40K
Module Ruimtelijke ordening 2006/321
Milieurecht Totaal 2006/5107
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/4603
JM 2006/18 met annotatie van Zigenhorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501005/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2002, kenmerk 70068, heeft verweerder het verzoek van appellanten om bestuursrechtelijke maatregelen te treffen inzake de overlast die door hen wordt ondervonden in verband met de aanwezigheid van een trailerhelling, gelegen bij de Nieuwendammerdijk (Zijkanaal K) te Amsterdam, afgewezen.

Bij besluit van 5 augustus 2003, verzonden op 8 augustus 2003, kenmerk 77294, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 september 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam.

Bij brief van 21 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 20 januari 2005, AWB 03/4160 GEMWT, heeft de rechtbank Amsterdam, voor zover thans van belang, zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep voor zover dat ziet op de weigering handhavend op te treden tegen de overlast die bij de trailerhelling wordt veroorzaakt.

Bij brief van 27 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2005, heeft de rechtbank Amsterdam het beroepschrift van appellanten doorgezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2005, waar appellanten en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Nooij, ambtenaar van het stadsdeel Amsterdam-Noord, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten hebben hun beroep, voor zover dit betrekking heeft op de bezwaarschriftencommissie, ter zitting ingetrokken.

2.2.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

2.3.    Appellanten betogen dat verweerder heeft miskend dat de trailerhelling ten onrechte zonder een vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer in werking is.

2.3.1.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

   Ingevolge artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen of in werking te hebben.

2.3.2.    De Afdeling constateert op basis van de stukken dat de trailerhelling een ongeveer 8 tot 10 meter lange hellingbaan van betonblokken is die flauw afloopt naar het water. Langs deze hellingbaan kan een boot in het water worden gebracht door een trailer, waarop de boot is bevestigd, in het water te rijden totdat de boot gaat drijven en de trailer er weer onder vandaan kan worden gereden. Deze helling kan door een ieder kosteloos worden gebruikt. Aan het gebruik van de helling zijn voorts geen openingstijden verbonden. Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was ondernomen bedrijvigheid en is derhalve geen sprake van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1., eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit brengt met zich dat voor de trailerhelling geen vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist, zodat verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden wegens het in werking zijn zonder vergunning. De beroepsgrond slaagt niet.

2.4.    Voor zover appellanten betogen dat sprake is van een overtreding van de geluidvoorschriften als opgenomen in artikel 111 van de Wet geluidhinder, overweegt de Afdeling dat die bepaling ziet op woningen, gelegen in bij besluit of van rechtswege vastgestelde geluidzones langs wegen dan wel industrieterreinen. Niet is gebleken dat de woningen van appellanten in een zodanige zone zijn gelegen. Ook anderszins is niet gebleken van geluidvoorschriften als opgenomen in de Wet geluidhinder die vanwege het gebruik de trailerhelling worden overschreden.

2.5.    Hetgeen appellanten voor het overige aanvoeren leidt ook niet tot het oordeel dat de overlast, die zij ondervinden, een overtreding vormt van een verplichting, die in verband met het belang van de bescherming van het milieu is gesteld.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. P.C.E. van Wijmen en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Rijntjes-Lindhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Rijntjes-Lindhout

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

194-428.