Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9809

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200505191/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7351
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp (hierna: het college) geweigerd om de registratie van de naam- en geboortegegevens van appellant in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505191/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de zich noemende [naam 1], in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Pijnacker-Nootdorp geregistreerd als [naam 2], wonend te [woonplaats], gemeente Pijnacker-Nootdorp,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3164 van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 mei 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp (hierna: het college) geweigerd om de registratie van de naam- en geboortegegevens van appellant in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen.

Bij besluit van 10 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 mei 2005, verzonden op 3 mei 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag , hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. I.J.L. Daemen, advocaat te 's-Gravenzande, en het college, vertegenwoordigd door T. Turfboer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

   Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet GBA, voorzover hier van belang, is degene die ingevolge deze afdeling in persoon verschijnt bij het college van burgemeester en wethouders, verplicht desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document over te leggen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

   Ingevolge artikel 79, vierde lid, van de Wet GBA draagt het college van burgemeester en wethouders zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.

   Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel geeft het college van burgemeester en wethouders aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van dit hoofdstuk.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel is artikel 79, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, van de Wet GBA wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82 gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2.    De persoonsgegevens van appellant zijn in 1994 in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerd op basis van zijn eigen verklaring, alsmede op basis van een - naar appellant stelt - valse oproepkaart voor de militaire dienst. Vaststaat dat appellant gedurende een groot aantal jaren in het maatschappelijk en juridisch verkeer gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van [naam 2], onder meer bij de aangifte van de geboorte van zijn zoon. Appellant heeft het college op 9 september 2003 verzocht zijn in de basisadministratie geregistreerde naam, geboortejaar, geboorteplaats en nationaliteit te wijzigen. Bij dit verzoek heeft appellant een uittreksel uit het geboorteregister en een bewijs van nationaliteit overgelegd. In het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft appellant daar een […] paspoort aan toegevoegd, waarin andere persoonsgegevens zijn vermeld dan met betrekking tot hem zijn geregistreerd in de basisadministratie. Tevens heeft hij die gelegenheid een proces-verbaal van een gehoor door een politieambtenaar van 13 november 2000 overgelegd ten bewijze dat en waarom hij -beweerdelijk- een valse identiteit heeft voorgewend.

2.3.    Voor de door appellant bepleite opvatting dat het verzoek om wijziging mede in andere zin, te weten als een verzoek om eerste inschrijving had moeten zijn opgevat, heeft het college, reeds omdat appellant als [naam 2] in de basisadministratie is geregistreerd, terecht geen aanknopingspunten gevonden.

2.4.    Appellant betoogt dat vaststaat dat de in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen gegevens van [naam 2] niet juist zijn en dat deze omstandigheid alleen al met zich brengt dat wijziging dan wel doorhaling van deze gegevens dient plaats te vinden. De vraag of appellant is geslaagd in het leveren van het bewijs dat de nieuwe door hem overgelegde documenten op hem betrekking hebben is een vraag van een andere orde die volgens appellant pas na het oordeel over de juistheid van de gegevens omtrent de registratie van [naam 2] voor beantwoording in aanmerking komt. Door deze zaken met en aan elkaar te verbinden komt de rechtbank, naar appellant heeft gesteld, ten onrechte tot de conclusie dat appellant niet zou hebben aangetoond dat de in de basisadministratie geregistreerde gegevens onjuist zijn. Appellant voert aan dat door alle nieuwe documenten die door hem zijn overgelegd in samenhang te beschouwen, kan worden vastgesteld dat hij [naam 1] is.

2.5.    Dienaangaande overweegt de Afdeling als volgt. Voorop staat dat de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn (TK 1988-1989, 21 123, nr. 3, blz. 13). In overeenstemming met dit uitgangspunt is in artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA bepaald dat het college voldoet aan het verzoek van een betrokkene de hem betreffende gegevens te verbeteren, indien deze feitelijk onjuist zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 mei 2004 in zaak no. 200306622/1 kunnen in het licht van de hoge eisen van betrouwbaarheid waaraan in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen gegevens moeten voldoen, de gegevens van een ingeschreven persoon slechts onder omstandigheden - na overtuigend bewijs - worden gewijzigd, en uitsluitend indien daartoe een door de wet aangewezen geschikt document wordt overgelegd.

2.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 februari 2004 in zaak no. <a target="_blank" href='vhttp://www.raadvanstate.nl/verdicts/verdict_details.asp?verdict_id=6449'>200304721/1</a> zal voor het wijzigen van eenmaal in de basisadministratie geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de Wet GBA, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn. De Afdeling deelt het standpunt van het college dat het bewijs dat eenmaal in de basisadministratie opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, alleen maar kan worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat met de overlegging van de nieuwe documenten niet is aangetoond dat deze op appellant betrekking hebben. Mitsdien is niet onomstotelijk bewezen dat de in de basisadministratie geregistreerde gegevens met betrekking tot [naam 2] vals zijn. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

   Het door appellant overgelegde uittreksel uit het geboorteregister en het bewijs van nationaliteit houdt omtrent die betrekking immers niets in, maar vermeldt slechts gegevens met betrekking tot een zekere [naam 1], waarvan appellant stelt dat hij dat is.

   Het door appellant overgelegde paspoort, dat, indien juist, een zodanige betrekking in zichzelf en ten opzichte van de beide andere documenten zou kunnen inhouden, heeft het college evenwel terecht niet de door appellant gewenste rol laten spelen.

   Het college heeft immers terecht twijfel geuit over de juistheid van dat paspoort. Daartoe heeft het, onder meer, op goede gronden overwogen dat in het door appellant overgelegde paspoort een handtekening van de houder van dat document staat die in belangrijke mate afwijkt van de handtekening die appellant - als [naam 1] - onder andere overgelegde - tot de gedingstukken behorende - stukken heeft gezet. Appellant heeft voorts, zo is van de zijde van het college ter zitting evenzeer terecht betoogd, geen gegevens verstrekt waaruit kan worden afgeleid op welke wijze hij zijn - gepretendeerde - identiteit heeft aangetoond ter verkrijging van het paspoort bij de Macedonische autoriteiten. Appellant is er met hetgeen hij dienaangaande heeft aangevoerd niet in geslaagd deze twijfel weg te nemen. Dat de door appellant overgelegde gegevens bij andere gelegenheden door andere Nederlandse instanties wel zijn geaccepteerd kan, gelet op het hier toepasselijke normatieve kader, niet tot het door appellant gewenste resultaat leiden.

   Gelet op het vorenoverwogene is de conclusie dan ook dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen dat de in 1994 verstrekte gegevens feitelijk onjuist zijn. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college het wijzigingsverzoek ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA terecht heeft afgewezen.

   De door appellant opgeworpen stelling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij aan de stelling van appellant, inhoudende dat de overgelegde documenten moeten worden aangemerkt als geldige brondocumenten niet toekomt, kan, in het licht van het vorenoverwogene, hier derhalve buiten bespreking blijven.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. R.R. Winter en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

97-440.