Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9807

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200504019/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een overkapping/werktuigenberging op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], Sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2006, 39 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Vastgoed en wonen 2006/664
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504019/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Emmen,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/306 WW44 van de rechtbank Assen van 12 april 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een overkapping/werktuigenberging op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], Sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 februari 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 april 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. drs. J.A. van het Slot, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J. van der Veen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan ziet op de realisatie van een overkapping/ werktuigenberging met een lengte van 30 meter, een breedte van 20 meter, en een bruto-inhoud van ongeveer 2700 m³.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Schoonebeek" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Randveenontginningen"

   Ingevolge artikel 6 van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig aangegeven gronden bestemd voor:

-behoud en herstel van de landschappelijke/cultuurhistorische en natuurlijke waarden;

-ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden, voorzover de gronden op de toetsingskaart zijn aangeven met "natuurontwikkeling";

-behoud en versterking van de karakteristiek van de als "oude nederzettingen" aangeduide gronden;

-uitoefening van het agrarisch bedrijf;

-niet agrarische bedrijven, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met bedrijven.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, onder a, van de planvoorschriften is ten behoeve van de uitoefening van het agrarisch bedrijf en grondgebonden agrarisch bedrijf aangegeven gronden bebouwing toegestaan, mits deze wordt gegroepeerd binnen een aaneengesloten oppervlak van 1 ha. (…)

De bebouwing dient per bedrijf geconcentreerd te worden binnen een vierhoek. De uitbreidingsrichting dient aan te sluiten bij het aanwezige bebouwingspatroon, waarbij tevens rekening dient te worden gehouden met het uitzicht van woningen.

2.3.    Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat derhalve slechts bouwvergunning kan worden verleend nadat een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is verleend ten behoeve van het bouwplan.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is. Appellanten voeren hierbij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het thans aan de orde zijnde bouwplan een betrekkelijk kleine inbreuk op het vigerende bestemmingsplan is, zodat aan de ruimtelijke onderbouwing niet al te hoge eisen behoeven te worden gesteld.

2.4.1.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat vergunninghouders bedrijf reeds een zeer aanzienlijke omvang heeft, verscheidene malen is uitgebreid en is gesitueerd op twee, aan weerszijden van het Westersebos gelegen, percelen, te weten [locatie 1] en [locatie 2] Verder is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de overkapping/ werktuigenberging, in afwijking van hetgeen is opgegeven bij de bouwaanvraag, zal worden benut ten behoeve van beide percelen. Onweersproken is dat deze beide percelen de nadere aanduidingen "Oude Nederzetting" en "Beschermd dorpsgezicht" hebben en dat, ingevolge het bepaalde in artikel 6 van de planvoorschriften, wordt gestreefd naar behoud en versterking van de karakteristiek van de als "oude nederzettingen" aangeduide gronden. Voorts is onweersproken dat over deze nadere aanduidingen is bepaald dat er geen mogelijkheid bestaat tot grote uitbreiding van agrarische bedrijven en dat wordt gestreefd naar verplaatsing van agrarische bedrijven die behoefte hebben aan ruime ontwikkelingsmogelijkheden. Naar het oordeel van de Afdeling dient vergunninghouders bestaande bedrijf, gelet op de grote omvang en de kennelijke behoefte aan ruime uitbreidingsmogelijkheden, derhalve als een grote afwijking van deze karakteristiek te worden beschouwd. Nu door het onderhavige bouwplan deze bestaande inbreuk wordt vergroot dient ook dit als een ingrijpende inbreuk op het bestemmingsplan te worden beschouwd.

2.4.2.    Gezien het voorgaande moet worden geoordeeld dat het college in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet nader heeft gemotiveerd waarom zij onderhavig bouwplan aanvaardbaar acht in relatie tot de nadere aanduidingen "oude nederzetting", "beschermd dorpsgezicht" en het streven naar het behoud en versterking van de karakteristiek van de als "oude nederzettingen" aangeduide gronden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5.    Appellanten betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het welstandsadvies in strijd is met toepasselijke bepalingen uit de Bouwverordening. Zij stellen hierbij dat de welstandscommissie van de gemeente Emmen (hierna: de commissie) ten tijde van onderhavig bouwplan uit slechts één persoon bestond en het aannemelijk is dat het bouwplan beoordeeld is door slechts deze persoon.

2.5.1.    Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Emmen (hierna: de Bouwverordening), voor zover hier van belang, bestaat de welstandscommissie uit een voorzitter en 2 leden.

   Ingevolge artikel 9.2, tweede lid, van de Bouwverordening kan de welstandscommissie slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan tenminste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.

2.5.2.    Bij de welstandstoetsing mag in beginsel aan het advies van de welstandscommissie groot gewicht worden toegekend. Dit is anders, indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

Ter zitting is van de zijde van het college erkend dat niet valt uit te sluiten dat de commissie in het onderhavige geval uit één lid en één ambtelijk secretaris heeft bestaan. Hiermee is het naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat het welstandsadvies is uitgebracht door een commissie waarvan de samenstelling voldeed aan het bepaalde in artikel 9.2, tweede lid, van de Bouwverordening. Het advies vertoont derhalve zodanige gebreken dat het college het niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen. Het college heeft echter zonder nadere motivering het advies van de welstandscommissie betrokken bij het bestreden besluit. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt dan ook een zorgvuldige voorbereiding als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank gegrond verklaren en het besluit van 23 februari 2003 vernietigen.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 12 april 2005, 04/306 WW44;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Emmen van 23 februari 2004, 04.04248;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Emmen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1328,77 (zegge: éénduizenddriehonderdachtentwintig euro en zevenenzeventig eurocent), waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Emmen aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Emmen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 343,00 (zegge: driehonderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

17-503.