Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9806

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200504012/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2003 is namens appellant (hierna: de Minister) de aan de echtgenote van [wederpartij] verstrekte huursubsidie over het subsidietijdvak 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 nader vastgesteld op € 415,72 en de over dit tijdvak uitbetaalde huursubsidie ten bedrage van € 2.078,60 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504012/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2178 van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2003 is namens appellant (hierna: de Minister) de aan de echtgenote van [wederpartij] verstrekte huursubsidie over het subsidietijdvak 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 nader vastgesteld op € 415,72 en de over dit tijdvak uitbetaalde huursubsidie ten bedrage van € 2.078,60 teruggevorderd.

Bij besluit van 7 april 2004 is namens de Minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 27 mei 2005 en van 8 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2005, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, is verschenen. [wederpartij] is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Huursubsidiewet (hierna: Hsw) en voorzover hier van belang, wordt onder een huurder verstaan: een persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning;

    Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Hsw kan ten aanzien van een bepaalde woning slechts aan één huurder huursubsidie worden toegekend;

    Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hsw en voorzover hier van belang, wordt huursubsidie slechts toegekend als de huurder zich uiterlijk vijf dagen na de peildatum op het adres van die woning heeft doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA);

    Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Hsw wordt, als de huurder in de loop van het subsidietijdvak het genot van de woning verliest, de huursubsidie ingetrokken met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarover geen huur meer is verschuldigd;

    Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel wordt, als in een geval als bedoeld in het eerste lid de huur wordt voortgezet door een medebewoner, de toegekende huursubsidie op diens naam gesteld.

2.2.    Vast staat dat [wederpartij] en zijn echtgenote beiden huurder zijn van de woning [locatie] te [plaats]. Vast staat voorts dat uitsluitend de echtgenote van [wederpartij] samen met haar kinderen tot 16 augustus 2002 aldaar woonachtig zijn geweest. Blijkens de gegevens in de GBA is [wederpartij] eerst op 15 augustus 2002 op het subsidieadres ingeschreven.

2.3.    In geschil is de nadere vaststelling en terugvordering van huursubsidie over het subsidiejaar 2002-2003. De Minister is daartoe overgegaan omdat gebleken is dat de echtgenote van [wederpartij] op 16 augustus 2002 tezamen met haar kinderen naar het buitenland is vertrokken, hetgeen tot gevolg heeft dat zij slechts recht heeft op subsidie over de periode 1 juli 2002 tot 1 september 2002.

2.4.    De rechtbank heeft overwogen - samengevat weergegeven - dat voor het honoreren van gewekte verwachtingen sprake is van bijzondere omstandigheden, dat tot die omstandigheden kunnen behoren dat een bestuursorgaan ten aanzien van een belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig onjuiste inlichtingen heeft verschaft die gerechtvaardigde en gedragsbepalende verwachtingen hebben gewekt en dat in sommige gevallen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. De rechtbank heeft voorts overwogen dat een beroep op het vertrouwensbeginsel in dit geval slaagt en heeft daartoe overwogen dat sprake is van bijzondere omstandigheden daar een medewerkster van de woningbouwvereniging onjuiste inlichtingen heeft verschaft, welke aan de Minister kunnen worden toegerekend. De Minister maakt immers welbewust gebruik van de gemeente en verhuurders om een aanvraagformulier ten behoeve van huursubsidie te verstrekken. Derhalve dient de weigering het formulier te verstrekken dan wel de onvoorwaardelijke uitspraak dat geen formulier hoeft te worden ingediend, aan hem te worden toegerekend. De rechtbank heeft daarbij hetgeen door [wederpartij] is gesteld omtrent de handelwijze van de kant van de woningbouwvereniging, aannemelijk geacht en heeft meegewogen dat de Minister op een laat tijdstip tot herziening en terugvordering is overgegaan hetgeen heeft geleid tot een voor [wederpartij] ongunstiger bewijspositie.

2.5.    De Minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een beroep op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigen. Naar zijn mening kunnen de mededelingen van genoemde medewerkster, daargelaten dat niet is komen vast te staan om wie het gaat en welke informatie is verstrekt, niet aan de Minister worden toegerekend. Immers, blijkens het gestelde in de Hsw is slechts de Minister bevoegd te beslissen omtrent een aanvraag om huursubsidie. Werkzaamheden en informatieverschaffing van de kant van de woningbouwvereniging dienen als service doch kunnen niet als opgewekte verwachtingen worden gehonoreerd.

2.5.1.    Dit betoog treft doel. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 9 april 2003 inzake no. 200205101/1 heeft geoordeeld, berust de bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om huursubsidie uitsluitend bij de Minister. Daarin is tevens geoordeeld dat een gemeente inzake huursubsidieaanvragen slechts een adviserende taak heeft. Dit is niet anders ten aanzien van werkzaamheden van de kant van een woningbouwvereniging. Dat [wederpartij] van mening is dat de woningbouwvereniging hem onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot de aanvraag waardoor hij er vanaf heeft gezien deze door te zetten, zo dat al zou komen vast te staan, maakt dat niet anders. Hij had aan die mededelingen, nu deze niet afkomstig waren van de Minister, niet zonder meer het vertrouwen mogen ontlenen dat de huursubsidie op diens naam zou worden gecontinueerd dan wel aan hem zou worden toegekend. De Afdeling merkt in dit verband op dat informatieverstrekking in zijn algemeenheid afhankelijk is van en geschied naar aanleiding van hetgeen een belanghebbende zelf heeft aangegeven. Van dat laatste is uit de stukken echter onvoldoende gebleken. Dat de Minister eerst op 19 december 2003 een besluit tot wijziging van de huursubsidie heeft genomen, doet aan het bovenstaande niet af. De Minister heeft terecht gesteld dat alleen hij bevoegd is om te beslissen op en over een huursubsidieaanvraag en dat de door een woningbouwvereniging verstrekte informatie niet aan hem kan worden toegerekend.

2.6.    Gelet op het bovenstaande is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2005, AWB 04/2178;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. De Leeuw-van Zanten

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

384.