Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200503849/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) appellant vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het bouwen van een hooiberg op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/94
OGR-Updates.nl 1001148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503849/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1621 van de rechtbank Haarlem van 17 maart 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) appellant vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het bouwen van een hooiberg op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 augustus 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 maart 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 juli 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2005, waar appellant in persoon is verschenen. Het college is met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan betreft een hooiberg met een hoogte van ongeveer 6 meter en een oppervlakte van ongeveer 49m², bestaande uit vier palen en een overkapping.

2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.2.1.        Ingevolge de plankaart van het ter plaatse als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1958, derde wijziging" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische Doeleinden A".

   Ingevolge artikel 6, eerste lid aanhef en onder d, van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen op gronden bestemd voor "Agrarische Doeleinden A, B, C en D" uitsluitend worden opgericht de voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf nodige bedrijfsgebouwen, uitgezonderd kassen.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen agrarisch bedrijf uitoefent als bedoeld in de planvoorschriften. Hij stelt hierbij dat het college in het besluit van 16 november 1999 zijn bedrijf als een agrarisch bedrijf passend binnen het bestemmingsplan heeft gekenmerkt. Voorts stelt appellant dat hij ongeveer 10 hectare weiland exploiteert door middel van een combinatie van ruwvoer productie en het laten weiden van paarden en schapen.

2.3.1.    Dit betoog slaagt. Vast staat dat in het bestemmingsplan geen definitie is opgenomen van hetgeen onder een agrarisch bedrijf dient te worden verstaan. Voor de uitleg van dit begrip dient derhalve te worden aangesloten bij hetgeen in het normale spraakgebruik onder agrarisch bedrijf wordt verstaan. In dit verband is van belang dat het college bij zijn beslissing op bezwaar van 16 november 1999, tegen de weigering van een bouwvergunning voor een veldschuur - waarvoor overigens inmiddels wel bouwvergunning is verleend - het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie heeft overgenomen, waarin voor zover hier van belang, het volgende is gesteld: "De paardenfokkerij/-houderij, zoals bezwaarde die voert, moet geacht worden te passen binnen een agrarische bestemming, zoals ook de overige activiteiten van bezwaarde daaronder vallen". Voorts staat vast dat appellant 10 hectare weiland exploiteert door middel van ruwvoer productie en dat hij op diverse momenten eigen vee heeft laten weiden op deze gronden. Het college is thans van oordeel dat appellants bedrijf niet als een agrarisch bedrijf kan worden gekwalificeerd. Gezien bovenstaande had het op zijn weg gelegen dit gewijzigde standpunt afdoende te motiveren, mede aan de hand van een onderzoek naar de feitelijke bedrijfsvoering van appellant en de wijze van exploitatie van zijn gronden. Nu het college heeft nagelaten een dergelijke motivering te geven en onderzoek te verrichten, ontbeert het bestreden besluit op dit punt dan ook een zorgvuldige voorbereiding als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.4.    Nu de aangevallen uitspraak reeds vanwege het voorgaande voor vernietiging in aanmerking komt, behoeft hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd geen bespreking meer.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bij de rechtbank ingediende beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 maart 2005, AWB 04-1621;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 18 augustus 2004, l-04.13860\bo;

V.    gelast dat de gemeente Haarlemmermeer aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 343,00 (zegge: driehonderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

17-503.