Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9803

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200503230/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de kas en de overkapping op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden, het gebruik van de schuur op dat perceel als zomerwoning te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden en alle voorzieningen die in de schuur zijn aangebracht ten behoeve van bewoning uit de schuur te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503230/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 04 / 2663 van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de kas en de overkapping op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden, het gebruik van de schuur op dat perceel als zomerwoning te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden en alle voorzieningen die in de schuur zijn aangebracht ten behoeve van bewoning uit de schuur te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar betreffende de verwijdering van de aangebrachte voorzieningen in de schuur gegrond verklaard en voor wat betreft de verwijdering van de kas en de overkapping en het gebruik van de schuur voor bewoning ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 maart 2005, verzonden op 8 maart 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E. Schaap Enterman, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.M. van Klaveren-van der Houwen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het geschil betreft nog uitsluitend de last tot het staken en het gestaakt houden van het gebruik van de schuur voor woondoeleinden.

2.2.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is een deel van de schuur, die ongeveer 4 meter bij 8 meter groot is, als woning in gebruik. De woning heeft een voordeur met klopper. Op de begane grond bevindt zich een woonkamer van ongeveer 16 m2, een keuken, een douche en een toilet. Op de eerste verdieping, die bereikbaar is via een vaste trap, bevinden zich twee slaapkamers. Daarboven bevindt zich een vliering. De woning is gemeubileerd. Appellant heeft gesteld dat de woning in de schuur dient voor eigen gebruik en voor logees, omdat het woonhuis zelf slechts twee slaapkamers telt.

   Voor de bouw van het woonhuis en de schuur is in 1931 vergunning verleend. Daarbij is de schuur vergund als bijgebouw bij het woonhuis.

2.3.    Ingevolge het geldende bestemminsplan "Oostvoorne dorp" rusten op het perceel van het woonhuis en het bijgebouw de bestemmingen "Woondoeleinden", "Voortuinen" en "Tuinen".

   Ingevolge artikel 28, eerste lid, van het bestemmingsplan is het verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften.

   Ingevolge artikel 9, derde lid, onder d, van het bestemmingsplan mag het bestaande aantal woningen per perceel niet worden vergroot.

   Ingevolge artikel 1, elfde lid, van het bestemmingsplan wordt onder bijgebouw verstaan: een vrijstaand of aangebouwd, afzonderlijk van het hoofdgebouw in ruimtelijk en functioneel opzicht te onderscheiden gebouw, ten dienst van de functie van het hoofdgebouw, zoals een garage, berging of hobbykas.

2.4.    De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat de schuur voor zover in gebruik voor woondoeleinden niet kan worden gezien als bijgebouw als omschreven in artikel 1, elfde lid, van het bestemmingsplan en dat bewoning van de schuur in strijd is met genoemde planvoorschriften.

2.5.    Appellant heeft in zijn bezwaarschrift en in zijn beroepschrift bij de rechtbank, en in hoger beroep opnieuw, een beroep op het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan gedaan. Op dat beroep is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan. Nu het beroep op het overgangsrecht niet slaagt, ziet de Afdeling hierin evenwel geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

   Ingevolge artikel 29, derde lid, van het geldende bestemmingsplan is het overgangsrecht niet van toepassing op reeds met het vorige bestemmingsplan strijdig gebruik. Blijkens de voorschriften van het vorige, medio 1983 in werking getreden, bestemmingsplan "Dorpsgebied Oostvoorne" was bewoning van een bijgebouw evenmin toegestaan. Het woongedeelte van de schuur kan immers niet worden aangemerkt als een bijgebouw als bedoeld in artikel 1, onder t, van dat plan. In dit artikel is een bijgebouw gedefinieerd als een in hoofdzaak niet voor bewoning bestemd gebouw, dat door zijn plaatsing, indeling en inrichting uitsluitend geschikt is als berg- of werkruimte. Dat betekent dat appellant geen rechten aan het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan kan ontlenen.

   Het beroep van appellant op de overgelegde verklaringen van [partij] over bewoning van het bijgebouw vanaf 1970 treffen evenmin doel. Deze verklaringen dateren van 28 april 2005, dat wil zeggen van na de uitspraak van de rechtbank, en dienen reeds daarom buiten beschouwing te blijven. Los daarvan zijn de verklaringen in dermate algemene bewoordingen gesteld dat zij niet de conclusie rechtvaardigen dat het betreffende deel van het bijgebouw destijds reeds daadwerkelijk en in relevante mate voor bewoning werd gebruikt.

2.6.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    Concreet zicht op legalisatie is niet aanwezig. Het college wenst onverkort vast te houden aan het ruimtelijk beleid om bewoning van een bijgebouw niet toe te staan.

   Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college gehouden was van handhaving af te zien. Dat de woning in de schuur niet aan derden wordt verhuurd, doch slechts voor eigen gebruik en voor logees dient, kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Anders dan appellant heeft betoogd is niet gebleken van gelijke gevallen waartegen niet wordt opgetreden. Het college heeft in dat verband onder verwijzing naar de Handhavingsnota Westvoorne opgemerkt dat een stringent handhavingsbeleid ten aanzien illegale bewoning wordt gevoerd.

2.8.    Voorts wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat, zo uit de fax van 18 oktober 1999 al blijkt dat het college destijds op de hoogte was van het gebruik van het betreffende deel van de schuur voor woondoeleinden, appellant daaraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat het college daartegen niet handhavend zou optreden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in die periode de woning te koop stond en niet werd bewoond. Er was toen derhalve geen aanleiding om handhavend op te treden.

   Overigens is niet gebleken dat het college bewoning van de schuur heeft gedoogd. Het college heeft bewoning van het betreffende deel van de schuur door appellant op 3 september 2003 geconstateerd en is enkele weken daarna daartegen opgetreden. Een beroep op rechtsverwerking kan dan ook niet slagen.

2.9.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot handhaving van de opgelegde last heeft kunnen besluiten.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient - met verbetering van gronden - te worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

202.