Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9801

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200503149/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2005:AS8811
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het plaatsen van een overkapping, een kantine en een zeecontainer op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503149/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Achtkarspelen,

tegen de uitspraak in zaak no. 04-624 WRO van de rechtbank Leeuwarden van 3 maart 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het plaatsen van een overkapping, een kantine en een zeecontainer op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 6 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 juni 2005 heeft vergunninghouder die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen een reactie ingediend.

Bij brief van 24 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. A. Rombout, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.H. Zuur, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. A.J. Spoelstra, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan ziet op het oprichten van een overkapping met een bruto-vloeroppervlakte van 870m², het plaatsen van een kantine/wachtlokaal in de vorm van een stacaravan met een bruto-vloeroppervlakte van 25m² en een bruto-inhoud van 49m³ en het plaatsen van een zeecontainer met een brutovloeroppervlakte van 30m² en een bruto-inhoud van 75m³.

2.2.    Ingevolge het  ter plaatse als bestemmingsplan geldende plan "Plan in hoofdzaak 1947" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het betreffende gedeelte van het perceel de bestemming "Landelijke bebouwing IV".

   Ingevolge de voor "Landelijke Bebouwing" in het renvooi opgenomen bebouwingsvoorschriften wordt onder landelijke bebouwing verstaan;

- Woningen en de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, uitsluitend ten dienste van de uitoefening van de akkerbouw, de veehouderij, de pluimveehouderij, de tuinbouw of enige andere tak van bodemcultuur (…);

- Arbeiderswoningen (…);

- Bedrijfsgebouwen bij bedrijfswoningen of bedrijfsgebouwen zonder woningen welke blijkens hun aard en inrichting rechtstreeks en uitsluitend verband houden met de akkerbouw, de veehouderij, de pluimveehouderij, de tuinbouw of enige andere tak van bodemcultuur (…).

2.3.    Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat derhalve slechts bouwvergunning kan worden verleend nadat een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is verleend ten behoeve van het bouwplan.

2.4.    Het betoog van appellanten dat het vrijstellingsbesluit niet zorgvuldig is opgesteld en onzekerheid in de hand werkt betreft een herhaling van hetgeen zij bij de rechtbank hebben aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat niet valt in te zien op welke wijze appellanten door de door hen gestelde omissies in het vrijstellingsbesluit in hun belang zijn geschaad. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat aan het vrijstellingsbesluit geen motiveringsgebrek kleeft en dat niet valt in te zien op welke wijze de door appellanten gevreesde verwarring zou kunnen ontstaan.

2.5.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is gemotiveerd, kan niet slagen. De omstandigheid dat ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO bij voorkeur een structuurplan of een structuurvisie als ruimtelijke onderbouwing is vereist, laat onverlet dat een ruimtelijke onderbouwing ook op een andere wijze kan worden gegeven. In dit geval is uitgebreid onderbouwd waarom het bouwplan zou passen binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Niet valt in te zien dat deze ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de wettelijke eisen.

2.6.    Voorts betogen appellanten dat de rechtbank ten onrechte de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" (hierna: de brochure) niet van toepassing heeft geacht. Zij verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de afdeling van 24 juli 2002, no. 200100851/1. In deze uitspraak is, voor zover hier van belang, overwogen dat de brochure mede is ontwikkeld als hulpmiddel bij de beoordeling van nieuwe situaties, en dat de uitbreiding van een bedrijf kan worden aangemerkt als een nieuwe situatie.

2.6.1.    Vast staat dat het college het bouwplan heeft getoetst aan de uitgangspunten die zijn genoemd in de brochure. De rechtbank heeft daarom terecht beoordeeld of het college de brochure op de juiste wijze heeft toegepast. Evenzeer terecht heeft de rechtbank vastgesteld dat de brochure alleen van toepassing is in nieuwe situaties. Anders echter dan de rechtbank heeft geoordeeld moet de uitbreiding van een bestaand bedrijf worden aangemerkt als een nieuwe ontwikkeling, waarvoor de brochure een indicatie geeft van de afstand die moet worden aangehouden tussen woonbebouwing en bedrijvigheid. De Afdeling verwijst in dit geval naar haar uitspraak van 24 juli 2002 in de zaak no. 200100851/1. Voor vernietiging van de aangevallen uitspraak bestaat echter geen aanleiding. Het college heeft gemotiveerd aangegeven om welke reden wordt afgeweken van de in de brochure opgenomen zonering. Daarbij is meegewogen het verschil in activiteiten tussen het voor- en het achterterrein, het feit dat het met name gaat om de afstand ten opzichte van één woning en het feit dat de bedrijfsactiviteiten als gevolg van het bouwplan niet toenemen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college op grond van deze omstandigheden in redelijkheid tot afwijking van deze brochure kunnen besluiten.

2.7.    Ten aanzien van de te treffen milieuhygiënische voorzieningen stelt de Afdeling vast dat de milieuaspecten van de bedrijfsuitbreiding in het kader van de toepassing van de milieuwetgeving zijn beoordeeld. In het kader van deze procedure behoefde dit niet opnieuw te gebeuren. Het daarop betrokken betoog faalt derhalve.

2.8.    Appellanten betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen uitgebreide motivering voor de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan hoefde te geven. Zij stellen hierbij dat het nu beoogde gebruik van een totaal andere orde is dan de situatie die in het verleden vergund is. Voorts stellen zij dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan ernstige gevolgen voor hen heeft.

2.8.1.    Deze betogen falen. Nu het perceel reeds 30 jaar een bedrijfsmatig gebruik kent, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet uitgebreid gemotiveerd behoefde te worden waarom de vestiging van het bedrijf van vergunninghouder ter plaatse planologisch aanvaardbaar wordt geacht. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het oordeel van de rechtbank, dat de door appellanten gestelde visuele hinder relatief gering zal zijn vanwege het feit dat de woningen van appellanten ofwel door ter plaatse aanwezig groen geen direct zicht hebben op de overkapping ofwel op een afstand van 60 meter van de overkapping zijn gesitueerd, onjuist is.

2.8.2.    Ten slotte heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de bouw van de overkapping niet zodanig grote gevolgen heeft voor appellanten dat om die reden de vrijstelling niet kon worden verleend.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze berust, te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

17-503.