Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9795

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
200503236/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen drie maanden na verzending van dat besluit de westgevel van het gebouw aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) aan te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503236/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/487 van de rechtbank Dordrecht van 4 maart 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen drie maanden na verzending van dat besluit de westgevel van het gebouw aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) aan te passen.

Bij besluit van 19 april 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat appellant een begunstigingstermijn is gegeven van dertien maanden.

Bij uitspraak van 4 maart 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 9 december 2003 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de gevelbekleding binnen twee maanden na verzending van dat besluit te verwijderen. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 mei 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling. Dit beroepschrift is aangehecht.

Bij brief van 9 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.E.M. Barentsen-Vaassen, ambtenaar der gemeente, en ir. R. Witteveen, lid van de welstandscommissie van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 12 april 2005 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door appellant gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht zich mede hiertoe uit te strekken.

2.2.    Ingevolge artikel 2, onder c, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningsplichtige bouwwerken (hierna: BBLB) wordt het veranderen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel van een bestaande woning, bestaand woongebouw of een bij een bestaande woning of een bestaand woongebouw behorend bijgebouw als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet (hierna: de wet) aangemerkt, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1°. niet aangebracht in de voorgevel van een woning of woongebouw of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijgevel van een woning of woongebouw, en

2°. de bestaande gevelopening wijzigt niet.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder k, van het BBLB, voor zover hier van belang, wordt voorts het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de wet aangemerkt, mits:

1°. de verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie van dat bouwwerk,

2°. de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid, en

3°. het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

2.3.    Appellant betoogt tevergeefs dat geen bouwvergunning vereist is, aangezien het bouwplan niet strijdig is met het Beeldkwaliteitsplan Graafstroom van oktober 2001 (hierna: het Beeldkwaliteitsplan).

   De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de aanpassing van de gevelbekleding is aan te merken als bouwen in de zin van artikel 1 van de wet en dus in beginsel een bouwvergunning is vereist. Het Beeldkwaliteitsplan kan de wet niet terzijde stellen, zodat uit dit plan niet kan volgen dat geen bouwvergunning is vereist. Het betoog faalt derhalve.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van het veranderen van een gevelpaneel als bedoeld in artikel 2, onder c, van het BBLB en derhalve van bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43 van de wet, zodat geen bouwvergunning is vereist.

   Het betoog faalt. De gevelbekleding beslaat bijna het gehele oppervlak van de gevel. Uit de context waarin het begrip "gevelpaneel" in artikel 2, onder c, van het BBLB voorkomt, kan worden afgeleid dat de wetgever niet bedoeld heeft een zodanig omvangrijke gevelbekleding vergunningvrij mogelijk te maken. Dat in de wetsgeschiedenis van dit artikel niet met zoveel woorden aandacht is besteed aan de maximale maten van een gevelpaneel in de zin van dit artikel, maakt dit niet anders.

   De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat van een gevelpaneel als bedoeld in artikel 2, onder c, van het BBLB geen sprake is.

2.5.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het BBLB en derhalve van bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43 van de wet, zodat geen bouwvergunning is vereist. Daartoe voert appellant aan dat niet bepalend kan zijn dat het pand in het geldende bestemmingsplan is aangewezen als cultuurhistorisch pand.

   Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 december 1994, no. H01.94.0028/67, Gst. 7009, 6, dient de term "van niet-ingrijpende aard" niet alleen in bouwkundige, maar ook in stedenbouwkundige zin te worden opgevat. Bij dat laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol.

   Anders dan appellant betoogt, is dan ook van belang dat het pand in het bestemmingsplan als cultuurhistorisch pand is aangewezen. Dat het pand in het nieuwe voorontwerp-bestemmingsplan niet als cultuurhistorisch wordt aangemerkt, zoals appellant aanvoert, maakt geen verschil. Dit voorontwerp-bestemmingsplan is immers na de beslissing op bezwaar ter inzage gelegd en dient derhalve in verband met het zogenoemde "ex-tunc" karakter van de door de bestuursrechter te verrichten toets buiten beschouwing te blijven.

   De rechtbank heeft gezien het voorgaande op goede gronden geoordeeld dat de vervanging van de gevelbekleding van substantiële en ingrijpende betekenis is, zodat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen sprake was van een verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het BBLB.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Aangezien de gronden aangevoerd tegen het besluit van 12 april 2005 dezelfde zijn als de gronden gericht tegen de aangevallen uitspraak, is het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 april 2005 van het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006

218-499.