Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9410

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
11-01-2006
Zaaknummer
200502060/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft verweerder, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, aan de Coöperatieve Verkoop- en Productie Vereniging van aardappelmeel en derivaten "AVEBE" te Veendam (hierna: vergunninghoudster) vergunning verleend krachtens artikel 23 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: het Besluit GGO) voor proeven in het veld met genetisch gemodificeerde aardappelplanten, waarin het kgz-gen is gebracht, in de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Eemsmond, Emmen, Pekela en Veendam. Het besluit is op 31 januari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502060/1.

Datum uitspraak: 11 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft verweerder, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, aan de Coöperatieve Verkoop- en Productie Vereniging van aardappelmeel en derivaten "AVEBE" te Veendam (hierna: vergunninghoudster) vergunning verleend krachtens artikel 23 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: het Besluit GGO) voor proeven in het veld met genetisch gemodificeerde aardappelplanten, waarin het kgz-gen is gebracht, in de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Eemsmond, Emmen, Pekela en Veendam. Het besluit is op 31 januari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 6 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Piras en ir. R.M. van der Graaf, ambtenaren van het ministerie, en [gemachtigde], is verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Den Haag, [gemachtigde], mr. J.J. de Boer en [gemachtigde], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit is vergund aardappelplanten (Solanum tuberosum) genetisch te modificeren met het kgz-gen, hetgeen leidt tot onderdrukking van de expressie van het in de plant aanwezige kgz-gen, hetgeen een verlaging van het amylose-gehalte in de knollen tot gevolg heeft. Hierdoor zullen bij de verwerking van de aardappelen minder energie en chemische hulpstoffen nodig zijn. De aanvraag verschilt met eerdere vergunningaanvragen, omdat er nu twee constructen gebruikt worden die het  kgz-gen in sense en antisense oriëntatie bevatten.

2.2.    De aanvraag om vergunning heeft betrekking op het genetisch modificeren van aardappelplanten en het doelbewust introduceren van deze aardappelplanten in het milieu. Voor dergelijke situaties is Richtlijn 2001/18/EG inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG vastgesteld. Het Besluit van 26 april 2004 tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen houdende regels inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (uitvoering richtlijn nr. 2001/18) strekt tot implementatie van Richtlijn 2001/18/EG.

   Het Besluit GGO is een krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: Wms) vastgestelde algemene maatregel van bestuur. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van het Besluit GGO is het verboden zonder vergunning van verweerder genetisch gemodificeerde organismen te vervaardigen, te vervoeren, toe te passen, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen of in Nederland in te voeren alsmede zich ervan te ontdoen, dan wel genetisch gemodificeerde organismen, niet zijnde micro-organismen, te vervoeren.

   Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Wms kan de vergunning slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van mens en milieu. Ingevolge het vierde lid kan een vergunning onder beperkingen worden verleend, en kunnen aan een vergunning voorschriften in het belang van de bescherming van mens en milieu worden verbonden.

   Bij de toepassing van artikel 26, tweede en vierde lid, van de Wms komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

2.3.    Appellante betoogt dat het toepassen van genetische modificatie ethisch niet verantwoord is. Zij vraagt zich verder af waar de grens wordt gelegd.

   Deze beroepsgronden zijn van levensbeschouwelijke aard en gericht tegen de toepassing van genetische modificatie in het algemeen. Zij hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van mens en milieu in de zin van artikel 26, tweede lid, van de Wms en kunnen om die reden niet slagen.

2.4.    Appellante stelt voorts dat de gevolgen op lange termijn van genetische modificatie niet bekend zijn.

   Ook deze beroepsgrond is gericht tegen de toepassing van genetische modificatie in het algemeen. Nu appellante geen argumenten naar voren heeft gebracht waarom in dit geval de effecten van genetische modificatie op langere termijn nopen tot het weigeren van de aangevraagde vergunning, faalt het beroepsonderdeel reeds hierom.

2.5.    Appellante stelt verder dat niet de vermindering van de milieubelasting, maar economische motieven doorslaggevend zijn geweest bij het aanvragen van de vergunning.

   Zoals hierboven reeds is overwogen kan de vergunning slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van mens en milieu in de zin van artikel 26, tweede lid, van de Wms. De door appellante gestelde beweegredenen van vergunninghoudster om de proeven uit te voeren, konden geen grond vormen de vergunning te weigeren. De beroepsgrond treft geen doel.

2.6.    Appellante betoogt verder dat de genetisch gemodificeerde planten zich kunnen verspreiden in de omgeving van de proefvelden. In dit verband voert zij aan dat de kans op uitkruising met andere cultuuraardappelen aanwezig is, omdat bestuiving plaatsvindt door insecten, en dat aardappelzaden 10 jaar kunnen overleven waardoor zich ongewild opslagplanten vormen.

2.6.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de aardappelplanten ingebrachte genen in Nederland uitsluitend kunnen uitkruisen naar andere cultuurrassen. De kans op deze genoverdracht is volgens verweerder, gezien de biologie van de aardappel, niet waarschijnlijk. Mocht toch opslag uit zaad of achtergebleven knollen plaatsvinden, dan wordt deze in het kader van de verplichte bestrijding van de aardappelmoeheidsziekte aangepakt, zodat dit volgens verweerder niet zal leiden tot schadelijke effecten op mens en milieu. Naar zijn mening zijn de risico's voor mens en milieu verwaarloosbaar klein en daarmee aanvaardbaar. Daarbij heeft hij het advies van de Commissie genetische modificatie (hierna: COGEM) van 21 december 2004 in aanmerking genomen.

2.6.2.    Bij de aanvraag om vergunning behoort een milieurisicoanalyse, waarin de mogelijke gevolgen van het verrichten van de aangevraagde veldproeven zijn beoordeeld. In deze analyse staat onder meer vermeld dat op basis van de ingebrachte eigenschap en de ervaringen met planten gemodificeerd met een verlaagd amylosegehalte, er geen redenen zijn te veronderstellen dat een verlaagd amylosegehalte aanleiding geeft tot schadelijke effecten op planten van dezelfde soort (andere aardappelplanten) die de eigenschap via uitkruising verkregen hebben. Geconcludeerd wordt dat er geen risico's zijn geïdentificeerd, verbonden aan de introductie in het milieu van de onderhavige genetisch gemodificeerde aardappelplanten.

   Appellante heeft geen concrete argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de in de analyse vermelde bevindingen.

   Gelet hierop alsmede gelet op het advies van de COGEM, heeft verweerder met de door hem gegeven motivering in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat door de biologische inperking en de in de aanvraag opgesomde maatregelen, waaronder routinematige opslagbestrijding, ter voorkoming van eventuele verspreiding van genoemde organismen de risico's voor mens en milieu aanvaardbaar zijn, zodat vergunning mocht worden verleend. De beroepsgrond treft geen doel.

2.7.    Ten aanzien van de beroepsgrond van appellante dat de genetisch gemodificeerde aardappelen uit de proef in de menselijke voedselketen kunnen terecht komen, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond feitelijke grondslag mist. Vaststaat namelijk dat geen werkzaamheden met planten, waarbij de planten of delen daarvan zullen worden gebruikt voor menselijke of dierlijke consumptie, zijn aangevraagd en vergund. Er zullen bij naleving van de vergunning dan ook geen genetisch gemodificeerde aardappelen uit de proef in de menselijke voedselketen terecht komen.

2.8.    Het beroep is derhalve ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006

334.