Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9408

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
11-01-2006
Zaaknummer
200501586/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een agrarische bedrijfsruimte ten behoeve van een varkensbedrijf op een perceel aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2006, 7
JB 2006/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501586/1.

Datum uitspraak: 11 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1743 van de rechtbank Arnhem van 12 januari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een agrarische bedrijfsruimte ten behoeve van een varkensbedrijf op een perceel aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […].

Bij besluit van 23 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 april 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 mei 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door P.L.F. Bassa, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de overweging van de rechtbank dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het college een ruimere financiële compensatie had moeten aanbieden dan het heeft gedaan.

2.1.1.    Niet in geschil is dat het college bij besluit van 27 februari 2004 de bouwvergunning terecht heeft geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, geen toepassing kon worden gegeven aan de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, omdat daaraan bij de vaststelling van het plan goedkeuring is onthouden, en geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kon worden verleend omdat aan de formele vereisten voor toepassing van die bevoegdheid niet was voldaan.

2.1.2.    In de overwegingen van het besluit van 27 februari 2004 heeft het college aan appellant medegedeeld in principe bereid te zijn een reëel deel van de advieskosten die appellant heeft gemaakt in de periode tussen 2 april 2001 en 28 oktober 2003 aan appellant te vergoeden. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen vormt deze mededeling geen onderdeel van de overwegingen die hebben geleid tot de weigering van de bouwvergunning. Voor nadeelcompensatie op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel was geen ruimte. Genoemde bepaling is immers uitsluitend van toepassing in gevallen waarin het bestuursorgaan een belangenafweging dient te maken. Aan een afweging van belangen kon het college in het besluit van 27 februari 2004 tot weigering van de bouwvergunning evenwel niet toekomen, nu toepassing van de wijzigings- en vrijstellingsbevoegdheden reeds op formele gronden niet mogelijk was.

2.1.3.    De mededeling van het college omtrent de schadevergoeding kan voorts op zichzelf bezien niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Aan de mededeling ligt geen verzoek om schadevergoeding ten grondslag. Ook het college heeft, blijkens het verhandelde ter zitting alsook gelet op de bewoordingen van de mededeling, daarmee niet beoogd een definitief besluit omtrent de schadevergoeding te nemen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kon tegen deze mededeling dan ook geen bezwaar worden gemaakt noch beroep worden ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit miskend.

2.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij in stand is gelaten het gedeelte van de beslissing op bezwaar van 23 juni 2004 waarbij is beslist op de bezwaren van appellant met betrekking tot de schadevergoeding. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren, de beslissing op bezwaar van 23 juni 2004 vernietigen, voor zover daarbij op de bezwaren van appellant met betrekking tot de schadevergoeding is beslist en het

door appellant ingediende bezwaarschrift van 29 april 2004 alsnog niet-ontvankelijk verklaren, voor zover het is gericht tegen de in het besluit van 27 februari 2004 vervatte mededeling van het college met betrekking tot de schadevergoeding.

2.3.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 januari 2005, kenmerk: AWB 04/1743, voor zover daarbij in stand is gelaten het gedeelte van de beslissing op bezwaar van 23 juni 2004 waarbij is beslist op de bezwaren van appellant met betrekking tot de schadevergoeding;

III.    verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel van 23 juni 2004, kenmerk: 041762/042180, voor zover daarbij op de bezwaren van appellant met betrekking tot de schadevergoeding is beslist;

V.    verklaart het bezwaarschrift van 29 april 2004 niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen de in het besluit van 27 februari 2004 vervatte mededeling met betrekking tot de schadevergoeding;

VI.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zaltbommel aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de gemeente Zaltbommel aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 341,00 (zegge: driehonderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2006

66-422.