Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AU9401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-01-2006
Datum publicatie
11-01-2006
Zaaknummer
200509842/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft verweerder aan verzoekster een revisievergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een inrichting voor de opslag en de verwerking van kunststoffen ten behoeve van de voedingsmiddelenindustrie, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Zaandam, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 27 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509842/2.

Datum uitspraak: 6 januari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft verweerder aan verzoekster een revisievergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een inrichting voor de opslag en de verwerking van kunststoffen ten behoeve van de voedingsmiddelenindustrie, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Zaandam, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 27 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 25 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 januari 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, ing. A.F.C. Groenen en E. Huizinga, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C. Niessen-Kruiswijk, A. Zandbergen, H. Aslander en P. de Wijs, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekster verzoekt de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening voorschrift 7.1.3, voor zover daarin is bepaald dat het maximale geluidsniveau in de nachtperiode niet meer dan 50 dB(A) mag bedragen, en voorschrift 7.2.2 te schorsen, opdat de zes door haar gevraagde transportbewegingen binnen de inrichting tussen 19.00 en 7.00 uur mogelijk zijn. Zij voert hierbij aan dat deze transportbewegingen onmisbaar zijn voor haar bedrijfsvoering. Zij verzoekt de Voorzitter tevens de voorziening te treffen die inhoudt dat het maximale geluidsniveau in de nachtperiode 60 dB(A) mag bedragen.

2.3.    Verweerder heeft voor de vaststelling van de geluidsniveaus aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). De omgeving is getypeerd als een woonwijk in de stad.

2.4.    Niet in geschil is dat in de nachtperiode een maximaal geluidsniveau van 60 dB(A) niet wordt overschreden door de verschillende bedrijfstoestanden van de inrichting met daarbij inbegrepen de zes gevraagde vrachtwagenbewegingen.

2.5.    De Voorzitter overweegt dat een maximaal geluidsniveau van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode in dit geval, uitgaande van de Handreiking, zonder meer aanvaardbaar is. De Voorzitter acht het dan ook niet uitgesloten dat in de bodemprocedure de voorschriften 7.1.3 en 7.2.2 niet in stand zullen kunnen blijven.

2.6.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak en zaak nr. 200509849/2 moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat - in verband daarmee - het bedrag dat voor de in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten dient te worden vergoed, gelijkelijk over de zaken moet worden verdeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 25 oktober 2005, voor zover het voorschrift 7.1.3 inzake het maximale geluidsniveau tussen 23.00 en 7.00 uur en voorschrift 7.2.2 betreft;

II.    treft de voorlopige voorziening dat het maximale geluidsniveau als bedoeld in voorschrift 7.1.3 tussen 23.00 en 7.00 uur 60 dB(A) bedraagt;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 335,06 (zegge: driehonderdvijfendertig euro en zes cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zaanstad aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Zaanstad aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Sparreboom

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2006

195-424.